ECLI:NL:HR:2000:AA7048
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- W.H. Heemskerk
- C.H.M. Jansen
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- O. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Verjaring civiele vordering wegens seksueel misbruik en toepassing overgangsrecht
De dochter heeft haar vader gedagvaard voor een schadevergoeding wegens seksueel misbruik gepleegd tussen circa 1978 en 1983. De vader was reeds onherroepelijk veroordeeld voor ontucht in die periode. De rechtbank verklaarde de vordering verjaard op grond van het oude verjaringsrecht, en het hof bekrachtigde dit oordeel.
De Hoge Raad oordeelt dat de nieuwe verjaringsregeling van 1 september 1994, die een langere termijn en een overgangsregeling bevat, ook van toepassing is op deze zaak. De eerdere strafrechtelijke veroordeling verhindert niet de toepassing van deze regeling. Het hof heeft echter nagelaten vast te stellen of de vordering op 1 september 1994 reeds verjaard was volgens de nieuwe regels.
De zaak wordt daarom vernietigd en verwezen naar het hof te Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing, waarbij het hof de verjaring opnieuw moet beoordelen met inachtneming van de nieuwe strafrechtelijke en civielrechtelijke verjaringsregels, die het slachtoffer beter beschermen. De vader wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde beoordeling van de verjaring onder de nieuwe regeling.