ECLI:NL:PHR:2011:BO7510
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zorgvuldigheidsbeginsel bij voorlopige aanslag inkomstenbelasting en kostenvergoeding bezwaar
In deze zaak staat centraal de vraag of de inspecteur bij het opleggen van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gehouden is tot een zorgvuldige toetsing van de gegevens, in het bijzonder of de inspecteur niet alleen mag afgaan op het inkomen uit het voorgaande jaar, maar ook rekening moet houden met gegevens van eerdere jaren.
Belanghebbende ontving in 2007 een incidentele dividenduitkering van € 200.000, die niet in de jaren daarvoor voorkwam. De inspecteur legde op basis van deze gegevens een voorlopige aanslag voor 2008 op, eveneens gebaseerd op € 200.000 inkomen uit aanmerkelijk belang. Na bezwaar werd deze aanslag verminderd tot nihil omdat de dividenduitkering incidenteel was.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de inspecteur niet zorgvuldig te werk was gegaan door zich uitsluitend te baseren op het voorgaande jaar en dat sprake was van aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid, wat recht gaf op vergoeding van de kosten die belanghebbende in verband met het bezwaar had gemaakt. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel, maar nuanceert dat de inspecteur bij het opleggen van voorlopige aanslagen een zekere marge heeft en dat het schattingskarakter van voorlopige aanslagen meebrengt dat niet in alle gevallen een diepgaand onderzoek vereist is.
De Hoge Raad benadrukt dat het zorgvuldigheidsbeginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ook voor de inspecteur gelden, maar dat het opleggen van voorlopige aanslagen een massaal en geautomatiseerd proces betreft waarbij een redelijke mate van schatting is toegestaan. Alleen indien de inspecteur onzorgvuldig handelt en daardoor een onrechtmatige voorlopige aanslag oplegt, ontstaat recht op vergoeding van kosten in de bezwaarprocedure.
De uitspraak bevat tevens een uitgebreide beschouwing van de wettelijke bepalingen, jurisprudentie en beleidsregels omtrent voorlopige aanslagen, het zorgvuldigheidsbeginsel en de voorwaarden voor kostenvergoeding bij bezwaar tegen voorlopige aanslagen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Minister van Financiën wordt ongegrond verklaard; de inspecteur heeft onzorgvuldig gehandeld bij het opleggen van de voorlopige aanslag en belanghebbende heeft recht op vergoeding van kosten in bezwaar.