ECLI:NL:PHR:2011:BO7533
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen recht op kostenvergoeding bij bezwaar tegen voorlopige aanslag zonder aan de Belastingdienst toe te rekenen onrechtmatigheid
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof over de toekenning van een kostenvergoeding in de bezwaarfase tegen een voorlopige aanslag inkomstenbelasting. De centrale vraag was of de Belastingdienst onrechtmatig heeft gehandeld door een voorlopige aanslag op te leggen die later werd verminderd.
De Hoge Raad bevestigt het standpunt dat een voorlopige aanslag in beginsel gebaseerd is op een redelijke schatting van het inkomen uit het voorgaande jaar en dat de Belastingdienst niet verplicht is om voorafgaand aan het opleggen van een voorlopige aanslag individuele, diepgaande controles uit te voeren. Hierdoor is niet snel sprake van een aan de Belastingdienst toe te rekenen onrechtmatigheid.
In het onderhavige geval was de voorlopige aanslag gebaseerd op de laatst bekende gegevens, zonder dat uit de aangifte bleek dat sprake was van een eenmalige nabetaling. De Belastingdienst had geen aanleiding om de aanslag anders vast te stellen. Het hof had ten onrechte geoordeeld dat de inspecteur een zekere marge had overschreden en onzorgvuldig had gehandeld.
De Hoge Raad benadrukt dat alleen wanneer een besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan toe te rekenen onrechtmatigheid, kostenvergoeding kan worden toegekend. Dit betekent dat niet iedere vermindering van een voorlopige aanslag leidt tot een kostenvergoeding. De uitspraak bevestigt de wettelijke regeling en jurisprudentie omtrent de zorgvuldigheid en onderzoeksplicht van de Belastingdienst bij voorlopige aanslagen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat geen recht bestaat op kostenvergoeding bij bezwaar tegen een voorlopige aanslag zonder aan de Belastingdienst toe te rekenen onrechtmatigheid.