ECLI:NL:PHR:2011:BO9573
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Kwalificatie van overeenkomst tot verrichten van werk als arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht
De zaak betreft de vraag of een overeenkomst tussen de Nederlands-Israëlische Hoofdsynagoge (NIHS) en een werknemer die werkzaamheden verrichtte als portier op zondagochtend moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst of als een overeenkomst van opdracht. De werknemer verrichtte sinds 1982 werkzaamheden en vanaf 1999 werd de relatie gewijzigd waarbij hij facturen stuurde voor zijn diensten.
De kantonrechter oordeelde dat de overeenkomst van 1 mei 1999 als een arbeidsovereenkomst moest worden aangemerkt en dat opzegging van de arbeidsovereenkomst voorafgaande toestemming van het CWI vereiste. Het hof bekrachtigde dit oordeel en ging uit van het bewijsvermoeden van art. 7:610a BW, omdat niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen hadden.
De Hoge Raad bevestigt dat bij onduidelijkheid over de aard van de overeenkomst het bewijsvermoeden van art. 7:610a BW geldt en dat dit vermoeden kan worden weerlegd door voldoende bewijs. Het hof heeft het Haviltex-criterium en het Groen/Schoevers-criterium correct toegepast door te kijken naar de bedoeling van partijen en de feitelijke uitvoering van de overeenkomst. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd en dat de beëindiging zonder toestemming van het CWI niet rechtsgeldig was.