ECLI:NL:PHR:2011:BP4804
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over kennelijk onredelijk ontslag en schadevergoeding bij arbeidsongeschiktheid
In deze zaak staat centraal de vraag of bij de beoordeling van kennelijk onredelijk ontslag en de vaststelling van de schadevergoeding rekening mag worden gehouden met omstandigheden die zich na het ontslag hebben voorgedaan. De werknemer, werkzaam als koeltechnicus, werd ontslagen omdat hij door gezondheidsproblemen niet zelfstandig de bedrijfsauto mocht besturen en daardoor zijn functie niet kon uitoefenen. Het hof oordeelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was op grond van het gevolgencriterium en kende een schadevergoeding toe.
De Hoge Raad bevestigt de vaste jurisprudentie dat bij de beoordeling van kennelijk onredelijk ontslag en de schadevergoeding de situatie moet worden beoordeeld zoals die zich op het moment van ontslag voordeed. Latere omstandigheden mogen alleen worden betrokken als daaruit aanwijzingen kunnen worden afgeleid die op dat moment voorzienbaar waren. Het hof heeft dit criterium toegepast en geoordeeld dat de latere versoepeling van de rijgeschiktheidsregeling en de tijdelijke dienstbetrekking van de werknemer aanwijzingen bevatten die op het moment van ontslag voorzienbaar waren.
De Hoge Raad verwierp de klachten van de werkgever dat het hof ten onrechte latere omstandigheden had meegewogen zonder voldoende motivering. Ook bevestigde de Hoge Raad dat de schadevergoeding moet worden begroot aan de hand van alle concrete omstandigheden die op het moment van ontslag bekend of voorzienbaar waren. Het beroep van de werkgever werd verworpen, waarmee het hofvonnis in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de werkgever wordt verworpen en het hofvonnis blijft in stand.