ECLI:NL:PHR:2011:BP5700
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing terbeschikkingstellingsregeling bij gesplitste aankoop van vruchtgebruik en blote eigendom
Belanghebbende had in 1997 en 1998 aandelen verworven in de economische blote eigendom van onroerende zaken, terwijl de vennootschappen waarin hij een aanmerkelijk belang had het vruchtgebruik voorbehouden. De vraag was of deze situatie onder de terbeschikkingstellingsregeling van artikel 3.92 Wet IB 2001 valt. De Rechtbank Breda oordeelde dat sprake was van terbeschikkingstelling en verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond.
Belanghebbende stelde in cassatie dat de regeling niet van toepassing is omdat hij nooit eigenaar was van de vermogensbestanddelen en deze dus ook niet ter beschikking kon stellen. De Hoge Raad bevestigde echter dat de regeling ruim moet worden uitgelegd, mede gelet op de wetsgeschiedenis, en dat ook situaties van gesplitste aankoop hieronder vallen. Daarbij is van belang dat het feitelijke genot van het vermogensbestanddeel aan de vennootschap wordt verschaft, ongeacht de juridische vorm.
De conclusie van de Advocaat-Generaal onderstreept dat het doel van de regeling is het voorkomen van belastingarbitrage en het waarborgen van fiscale gelijkheid tussen ondernemers en aanmerkelijkbelanghouders. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond, waarmee de eerdere uitspraak van de Rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt toepassing van artikel 3.92 Wet IB 2001 bij gesplitste aankoop van vruchtgebruik en blote eigendom.