ECLI:NL:RBBRE:2009:BK6114
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toepassing terbeschikkingsstellingsregeling bij gesplitste aankoop van onroerende zaken met vruchtgebruik
Belanghebbende verwierf in 1997 en 1998 de blote eigendom van meerdere onroerende zaken van vennootschappen waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, waarbij de vennootschappen het vruchtgebruik voorbehouden. De inspecteur rekende het aandeel in de blote eigendom toe aan het inkomen uit werk en woning, terwijl belanghebbende dit als inkomen uit sparen en beleggen aangaf.
De kern van het geschil betrof de vraag of artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 van toepassing is op deze situatie. Belanghebbende stelde dat hij nooit eigenaar was geweest van de vermogensbestanddelen en deze dus niet ter beschikking kon stellen aan de vennootschappen. De inspecteur betoogde dat de onroerende zaken de facto ter beschikking werden gesteld.
De rechtbank betrok de parlementaire geschiedenis bij de uitleg van het begrip 'ter beschikking stellen' en concludeerde dat de regeling ook geldt voor situaties van gesplitste aankoop waarbij het vruchtgebruik niet bij de aanmerkelijkbelanghouder berust. Het verschil dat het vruchtgebruik reeds bij de vennootschappen aanwezig was, rechtvaardigt geen andere fiscale behandeling. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de toepassing van artikel 3.92 Wet IB 2001.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en artikel 3.92 Wet IB 2001 is van toepassing op de situatie van gesplitste aankoop met vruchtgebruik.