ECLI:NL:PHR:2011:BT1854
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsstrijd en cessie na verwijzing inzake schadevergoeding en overdracht vorderingen
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen arresten van het gerechtshof Arnhem over de vraag of eiser gerechtigd is tot een vordering tot schadevergoeding jegens de bank op grond van een Abtretungserklärung (akte van cessie) van vorderingen van SGSV aan eiser.
Eiser stelde zich borg voor schulden van een failliete vennootschap en vorderde schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de bank bij de uitwinning van zekerheden. Hij baseerde zijn vordering mede op een cessieakte, maar het hof oordeelde dat deze akte niet duidelijk een overdracht van de vordering tot schadevergoeding jegens de bank bevatte. Het hof stelde vast dat het Nederlandse recht geen begrip kent van 'vorderingen uit zaken' zoals genoemd in de akte, en dat de cessie niet was aangetoond.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof niet de grenzen van de rechtsstrijd na verwijzing had overschreden door deze beoordeling te maken. Het hof had terecht geoordeeld dat de cessie niet was bewezen en dat de vordering niet toewijsbaar was. Ook werd geoordeeld dat het hof niet onrechtmatig was teruggekomen op voorlopige oordelen en dat het verweer van de bank tijdig was ingebracht.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat eiser geen vordering tot schadevergoeding op grond van de Abtretungserklärung jegens de bank kan instellen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de cessie van de vordering niet is aangetoond en wijst de vordering tot schadevergoeding af.