Uitspraak
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 20 februari 1985 betreffende de aan de naamloze vennootschap
[Z]
5.867.953,--
27.123.311,--
2.719.788,--
Hoge Raad
Belanghebbende, een beursgenoteerde naamloze vennootschap, vormde een fiscale eenheid met twee Nederlandse dochtermaatschappijen die onroerend goed in de Verenigde Staten exploiteerden. De dochtermaatschappijen waren civielrechtelijk eigenaar van het Amerikaanse onroerend goed en financierden dit deels met eigen vermogen van belanghebbende en deels met hypothecaire leningen van derden. De dochtermaatschappijen waren aan belanghebbende rente verschuldigd, waarvan een deel achtergesteld was.
De belastingdienst had een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd over 1980, waarbij de rente die de dochters aan belanghebbende verschuldigd waren, werd geëlimineerd bij de berekening van de belastbare winst van de fiscale eenheid. Belanghebbende stelde dat bij de bepaling van de buitenlandse winst ter voorkoming van dubbele belasting geen rekening gehouden moest worden met deze rente, omdat de fiscale eenheid wordt behandeld alsof de dochters in belanghebbende zijn opgegaan.
Het Hof vernietigde de aanslag omdat het oordeelde dat de rente niet aan de vaste inrichtingen (de dochters) hoefde te worden toegerekend, aangezien de fiscale eenheid goeddeels met eigen vermogen was gefinancierd. De Staatssecretaris stelde cassatie in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad bevestigde dat op grond van artikel 15 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 de fiscale eenheid wordt behandeld alsof de dochters in belanghebbende zijn opgegaan en dat de rente die de dochters aan belanghebbende verschuldigd zijn, niet in aanmerking wordt genomen bij de bepaling van de buitenlandse winst. De Hoge Raad verwierp het beroep van de Staatssecretaris en oordeelde dat de fiscale eenheid geen verandering brengt in de omvang van de aanspraak op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting zoals bepaald in het Verdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep van de Staatssecretaris en bevestigt dat rente binnen de fiscale eenheid niet wordt meegenomen bij de berekening van buitenlandse winst ter voorkoming van dubbele belasting.