ECLI:NL:PHR:2012:BU4237
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt discretionaire beoordeling investeringskosten bij ontnemingsmaatregel en constateert overschrijding redelijke termijn
In deze zaak ging het om de ontnemingsmaatregel opgelegd door het Gerechtshof te 's-Gravenhage aan betrokkene wegens medeplegen van een strafbaar feit onder de Opiumwet. Het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 8.281,20 en dit afgerond tot € 8.000,-, welk bedrag aan de Staat moest worden betaald.
De verdediging voerde aan dat de investeringskosten voor het opzetten van de hennepkwekerij, begroot op € 15.000,-, volledig in aftrek moesten worden gebracht vanwege het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel. Het hof had echter slechts een gangbare afschrijving van € 350,- in mindering gebracht. De Hoge Raad bevestigde dat alleen kosten die direct samenhangen met het delict in aftrek kunnen worden gebracht en dat de rechter discretionaire ruimte heeft bij de waardering daarvan. Het hof hoefde zijn beslissing niet nader te motiveren omdat het verweer niet voldoende was onderbouwd.
Daarnaast werd geconstateerd dat de redelijke termijn voor afdoening in cassatie met negen maanden was overschreden. Hoewel dit een schending van art. 6 EVRM Pro oplevert, leidt dit niet automatisch tot strafvermindering in deze zaak. De conclusie van de Advocaat-Generaal strekt tot verwerping van het cassatiemiddel.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofbesluit over investeringskosten en ontnemingsmaatregel blijft in stand ondanks overschrijding van de redelijke termijn.