ECLI:NL:PHR:2012:BU6552
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling stille pandrecht en goede trouw bij verrekening in faillissement
De zaak betreft een geschil tussen de Rabobank en de curator van [A] B.V. over de vraag of bedragen die door derden op een bankrekening van [A] werden gestort, onder het stille pandrecht van de Rabobank vielen en of de Rabobank te goeder trouw handelde bij verrekening van deze bedragen voorafgaand aan het faillissement van [A].
Het hof oordeelde dat de overboekingen van de rekening bij Dresdner Bank naar de Rabobank niet onder het stille pandrecht vielen, omdat deze vorderingen niet rechtstreeks voortvloeiden uit de rekening-courantverhouding. Tevens stelde het hof vast dat de Rabobank niet te goeder trouw was in de zin van art. 54 Faillissementswet Pro, aangezien zij wist dat het faillissement van [A] te verwachten was toen zij de verrekeningen verrichtte.
De Rabobank stelde in cassatie onder meer dat de vorderingen wel onder het stille pandrecht vielen en dat het hof een onjuiste maatstaf hanteerde voor de beoordeling van haar goede trouw. De Hoge Raad bevestigde de vaste rechtspraak dat vorderingen uit stortingen door derden niet rechtstreeks voortvloeien uit de rekening-courantverhouding en dus niet onder het stille pandrecht vallen. Ook oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht concludeerde dat de Rabobank niet te goeder trouw was, gelet op de omstandigheden en correspondentie die het faillissementsgevaar duidelijk maakten.
De Hoge Raad verwierp de cassatieklachten en bekrachtigde daarmee het arrest van het hof dat de Rabobank aansprakelijk stelde voor het bedrag van € 37.500,- met rente aan de curator. De uitspraak verduidelijkt de toepassing van het stille pandrecht en de norm voor goede trouw bij verrekening in faillissementssituaties.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de Rabobank niet te goeder trouw was bij verrekening en dat de stortingen niet onder het stille pandrecht vielen.