ECLI:NL:PHR:2012:BW6754
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging huurovereenkomst woonruimte wegens dringend eigen gebruik voor renovatie
Deze zaak betreft de beëindiging van een huurovereenkomst van woonruimte op grond van dringend eigen gebruik door de verhuurder, bestaande uit een noodzakelijke ingrijpende renovatie van het pand. De huurder betwistte de beëindiging en voerde onder meer aan dat geen sprake was van een structurele wanverhouding tussen de exploitatiekosten en de huuropbrengsten.
De feiten betreffen een woning uit 1895, bewoond door de huurder sinds 1936, met langdurig achterstallig onderhoud en een renovatiebehoefte van circa €300.000,-. De kantonrechter en het hof stelden vast dat renovatie noodzakelijk is en dat voortzetting van de huurovereenkomst niet verenigbaar is met deze renovatie. Het hof oordeelde dat sprake is van een structurele wanverhouding tussen de exploitatiekosten en de huuropbrengsten, waardoor dringend eigen gebruik aannemelijk is.
De Hoge Raad overwoog dat de beoordeling van dringend eigen gebruik alle omstandigheden moet omvatten, waaronder de verhouding tussen exploitatiekosten en huuropbrengsten. De stellingen van de huurder werden door het hof voldoende betrokken en het oordeel van het hof was niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en stelde een nieuwe ontruimingsdatum vast, waarbij ook een vergoeding van €100.000,- aan de huurder voor verhuis- en inrichtingskosten werd bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en stelt een nieuwe ontruimingsdatum vast voor beëindiging van de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik.