ECLI:NL:PHR:2012:BX6705
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over herinvesteringsreserve bij ontvoeging uit fiscale eenheid
Deze zaak betreft de fiscale behandeling van een herinvesteringsreserve (HIR) bij de ontvoeging van een dochtermaatschappij uit een fiscale eenheid. De centrale vraag is of de HIR vrijvalt bij de moedermaatschappij (de fiscale eenheid) of bij de ontvoegde dochtermaatschappij. De dochtermaatschappij A BV had tijdens het bestaan van de fiscale eenheid een kantoorpand verkocht en een HIR gevormd. Later werden de aandelen van A BV verkocht aan een derde, waardoor A BV uit de fiscale eenheid werd ontvoegd.
De belanghebbende stelde dat het herinvesteringsvoornemen tot aan het einde van het boekjaar bleef bestaan, zodat de HIR bij de ontvoegde dochter zou vrijvallen. De Inspecteur betoogde dat het voornemen al vóór ontvoeging was vervallen, waardoor de HIR vrijvalt bij de moedermaatschappij. Zowel de Rechtbank als het Hof Arnhem oordeelden dat het herinvesteringsvoornemen vóór het ontvoegingstijdstip was beëindigd, en dat de HIR daarom bij de moedermaatschappij vrijvalt.
De Hoge Raad bevestigt dat het ontvoegingstijdstip een balansmoment is waarop het herinvesteringsvoornemen moet worden getoetst. Indien het voornemen vóór dat moment is vervallen, valt de HIR vrij bij de moedermaatschappij. De Hoge Raad wijst erop dat de fiscale eenheid bij ontvoeging een tussentijdse fiscale balans moet opmaken en dat het herinvesteringsvoornemen ook na de balansdatum aanwezig moet zijn om de HIR te kunnen handhaven. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt daarmee de eerdere uitspraken.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de herinvesteringsreserve vrijvalt bij de moedermaatschappij als het herinvesteringsvoornemen vóór ontvoeging is vervallen.