ECLI:NL:PHR:2012:BX8493
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ongebruikelijke terbeschikkingstelling bij verhuur aan BV met aandelen in handen van moeder
Belanghebbende, eigenaar van een timmerbedrijf en mede-eigenaar van een camping, verhuurde onroerende zaken aan een BV waarvan de aandelen in 2001 aan zijn moeder werden overgedragen. De verhuur werd in de aangiften inkomstenbelasting als vermogen in box 3 verantwoord. De Inspecteur legde navorderingsaanslagen en vergrijpboeten op, die door de Rechtbank en het Hof werden bevestigd. Het Hof oordeelde dat de verhuur na de aandelenoverdracht een ongebruikelijke terbeschikkingstelling vormde, omdat het geheel van rechtshandelingen, waaronder de aandelenoverdracht aan de moeder, zich niet tussen derden zou voordoen.
Belanghebbende stelde in cassatie dat alleen de terbeschikkingstellingshandeling zelf beoordeeld moest worden en dat de aandelenoverdracht niet tot een ongebruikelijke terbeschikkingstelling leidde. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof dat het gehele samenstel van handelingen moet worden betrokken bij de beoordeling van de gebruikelijkheid. Ook stelde de Hoge Raad dat het toetsingsmoment de start van de terbeschikkingstelling en de momenten van herziening van de overeenkomstvoorwaarden zijn, waaronder de aandelenoverdracht.
De Hoge Raad verwierp de klachten van belanghebbende en bevestigde dat de verhuur vanaf de aandelenoverdracht als ongebruikelijke terbeschikkingstelling moet worden aangemerkt. De overgang van de aandelen leidt tot een nieuwe situatie die op eigen merites beoordeeld moet worden. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de verhuur wordt aangemerkt als een ongebruikelijke terbeschikkingstelling.