ECLI:NL:PHR:2012:BY6883
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing bij onttrekking bouwkavel en Rbb-vergoeding in agrarisch ondernemerschap
Belanghebbende, samen met zijn echtgenote agrarisch ondernemer, onttrok bij staking van de onderneming een bouwkavel aan het ondernemingsvermogen en ontving een vergoeding uit de Regeling bedrijfshervestiging en -beëindiging (Rbb). Het geschil betrof de belastbaarheid van deze onttrekking en de Rbb-vergoeding.
De Hoge Raad bevestigde dat de onttrekking van de bouwkavel belast is, waarbij toepassing van het gelijkheidsbeginsel mogelijk is op basis van het Besluit van 8 maart 2006. Dit besluit biedt agrarische ondernemers de mogelijkheid om de landbouwvrijstelling toe te passen op het verschil tussen de waarde in het economisch verkeer bij agrarische bestemming (WEVAB) als cultuurgrond en als bouwgrond. De waarde van de WEVAB ondergrond woning was echter niet vastgesteld, zodat verwijzing noodzakelijk is.
Ten aanzien van de Rbb-vergoeding oordeelde de Hoge Raad dat deze, inclusief de hectaretoeslag en de vergoeding voor belastingschade, deel uitmaakt van de tegenprestatie voor de levering van de grond en daarom belast is. Het deel van de vergoeding voor het afstand doen van het pachtrecht is geen tegenprestatie voor grondverkoop, maar vormt ook een belastbare bate. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel om de Rbb-vergoeding onbelast te laten blijven faalt vanwege wezenlijk verschillende doelstellingen van de regelingen. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie gegrond en verwees het geding voor nadere vaststelling.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard en het geding wordt verwezen voor nadere vaststelling van de waarde en belastingheffing.