ECLI:NL:PHR:2012:BZ2215
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over ontnemingsvordering en faillissement bij wederrechtelijk verkregen voordeel
In deze zaak stond centraal of het onderzoek ter terechtzitting geschorst moest worden om de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen zijn ontnemingsvordering bij de curator in het faillissement van de veroordeelde te verifiëren. De Hoge Raad oordeelde dat de ontnemingsvordering op grond van artikel 36e Sr geen rechtsvordering is in de zin van artikel 29 Faillissementswet Pro, waardoor schorsing niet verplicht is.
Daarnaast behandelde de Hoge Raad de vraag of een bedrag dat in België verbeurd is verklaard, in mindering gebracht moet worden op de Nederlandse ontnemingsvordering. De Hoge Raad stelde dat artikel 36e lid 7 Sr (oud) niet van toepassing is op buitenlandse ontnemingsmaatregelen en dat het ne bis in idem-beginsel alleen geldt indien de buitenlandse sanctie geheel is tenuitvoer gelegd.
De feiten betroffen een veroordeelde die in Nederland was veroordeeld voor oplichting en witwassen en in België een verbeurdverklaring had gekregen van een bedrag dat deels betrekking had op hetzelfde geld. De Hoge Raad concludeerde dat de Nederlandse ontnemingsmaatregel en de Belgische verbeurdverklaring betrekking hadden op verschillende feiten en dat dubbele ontneming voorkomen kan worden via een verzoek op grond van artikel 577b Sv.
De Hoge Raad verwierp de middelen van cassatie en bevestigde dat de ontnemingsvordering niet ter verificatie in het faillissement kan worden ingediend als deze na faillietverklaring is opgelegd, en dat buitenlandse verbeurdverklaringen niet automatisch in mindering worden gebracht op Nederlandse ontnemingsvorderingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de ontnemingsvordering behoeft niet te worden geschorst en buitenlandse verbeurdverklaringen worden niet automatisch in mindering gebracht.