Conclusie
2.Procesverloop
3.Bespreking van het middel
subonderdeel 1.5wordt gesteld dat voor zover het hof in rov. 5.17 heeft gemeend dat op [eiseres] in verband met de hervatting en beëindiging van haar relatie met [betrokkene 1] een mededelingsplicht rustte als bedoeld in artikel 6:228 lid Pro 1, aanhef en sub b BW, dat onjuist en/of onbegrijpelijk is. Daarbij wordt verwezen naar subonderdeel 2.3. Ik bespreek dit onderdeel bij onderdeel 2.
relevanteonjuiste voorstelling van zaken. Volgens de rechtbank berustte het sluiten van de samenlevingsovereenkomst op de wens van partijen om [eiseres] meer financiële zekerheid te geven en stond dit daarom los van de actuele verwachtingen van partijen omtrent elkaars relationele trouw.
nahet sluiten van het huwelijk of de samenlevingsovereenkomst. Bij dwaling dient de blik echter naar het verleden worden gericht.
Obliegenheit, men is gehouden tot spreken in die zin dat niet spreken een beroep op dwaling kan rechtvaardigen.
subonderdelen 2.1, 2.2 en 1.5acht ik daarom gegrond, met de volgende aantekeningen.
subonderdeel 2.3en over de toets aan art. 6:228 lid 2 BW Pro in
subonderdeel 2.4geen behandeling;
onderdeel 3geen behandeling behoeven; en
onderdeel 4.
subonderdeel 2.3gegeven. In dat geval kan immers worden uitgegaan van het causale verband en de kenbaarheid daarvan. De in het subonderdeel genoemde omstandigheden kunnen daar dan niet meer aan afdoen. Wat betreft die omstandigheden voert het subonderdeel sub (i) en (ii) aan dat de hervatte relatie eind juli 2004 was beëindigd en dus maar enkele weken heeft geduurd. Dat heeft het hof echter niet vastgesteld, nu het in rov. 4.16 overweegt dat deze in ieder geval tot eind juli 2004 heeft geduurd. Voor de beoordeling is de exacte duur van de relatie m.i. overigens minder van belang. Feit is dat deze op enig moment is geëindigd. Ten aanzien van het onder (iii) gestelde kan worden opgemerkt dat de relatie tussen [eiseres] en [verweerder] heeft voortbestaan tot augustus 2007 en is beëindigd op initiatief van [verweerder] (die naar zijn stellingen toen nog niet op de hoogte was van de hervatting van de relatie tussen [eiseres] en [betrokkene 1]). [49] Het onder (iv) vermelde feit dat [verweerder] in 1992 ook een affaire heeft gehad, is door het hof verdisconteerd.
subonderdeel 2.4dan ook faalt.
subonderdelen 3.2 en 3.3.
onderdeel 4. Voor het geval Uw Raad anders zou oordelen over de subonderdelen 2.1, 2.2 en 1.5 dan ik hierboven heb voorgesteld, falen dus ook de resterende klachten.