Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
746
€ 98
€ 2.016
€ 746
3.Het geding in cassatie
niet-verdienende partners van grensarbeiders.
niet-verdienende partner van buitenlandse grensarbeiders. Wel vragen zij zich af, zoals de leden van de fracties van GPV en RPF en het NOB, of de bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting, gelet op artikel 2.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001, geëffectueerd kan worden.
niet-verdienende partners van grensarbeiders, voor die grensarbeiders een belemmering zou kunnen vormen die geweld doet aan het in artikel 39 van Pro het EG-Verdrag en artikel 1, eerste lid, jo. artikel 7, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 1612/68, neergelegde vrije verkeer van werknemers. Dit staat los van de toepassing van het gelijkheidsbeginsel. Daarbij gaat het er immers om of gelijke gevallen gelijk worden behandeld respectievelijk ongelijke gevallen ongelijk worden behandeld naar de mate waarin zij ongelijk zijn. Ik ben van oordeel dat voor de systematiek van de heffingskortingen in dit kader de buitenlandse situatie niet op een lijn gesteld mag worden met een binnenlandse situatie. In de buitenlandse situatie ontbreekt immers premieplicht voor de volksverzekeringen, terwijl deze wel aanwezig is in de binnenlandse situatie. Vanuit het gelijkheidsbeginsel bezien is het op grond van dit verschil naar mijn oordeel gerechtvaardigd om bij afwezigheid van premieplicht het premiedeel van de heffingskorting uit te betalen. Naast de regeling van artikel 8.9a zijn geen andere maatregelen overwogen. Met betrekking tot de brief van de Stichting Grensarbeid van 23 oktober jl. merk ik in dit verband het volgende op. In die brief wordt verwezen naar de mogelijke gevolgen die het arrest van de Hoge Raad van 18 oktober 2000, nr. 34 782 (abusievelijk noemt de Stichting Grensarbeid 17 oktober 2000 als datum) voor de toepassing van de heffingskortingen zou kunnen hebben. In dat arrest heeft de Hoge Raad – in navolging van hetgeen Advocaat-Generaal Wattel in zijn conclusie van 29 december 1999 heeft voorgesteld – prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de verenigbaarheid van de Nederlandse systematiek van voorkoming van dubbele belasting met Europese regelgeving voor situaties waarin in de "werkstaat" – naar de maatstaven van de regelgeving van die staat – geen rekening is gehouden met persoonsgebonden tegemoetkomingen. Of en, zo ja welke gevolgen hieruit voor de Nederlandse regelgeving voortvloeien, kan ik thans niet aangeven. Daarvoor zal eerst het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen moeten worden afgewacht. De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoe groot de groep is waarop de voorgestelde regeling van artikel 8.9a betrekking heeft. Voorts constateren zij dat deze regeling niet van toepassing is op een beperkte groep allochtonen in Nederland. Naar aanleiding daarvan vragen zij naar de budgettaire consequenties wanneer de regeling van artikel 8.9a ook tot die groep zou worden uitgebreid.
Maar wat nu te doen met een minst verdienende partner die in Nederland woont maar die niet in Nederland premieplichtig is? Art. 8.9a is niet van toepassing omdat het gaat om een inwoner van Nederland. Had hij of zij buiten Nederland gewoond, dat zou er in ieder geval wel recht bestaan op uitbetaling van het premiedeel van de heffingskorting.
De rechter stelt vast dat op basis van de wetgeschiedenis de heffingskorting bedoeld is om de draagkracht op gezinsniveau te beïnvloeden. De rechter kent terecht alsnog de heffingskorting toe aan de minst verdienende partner. Hierbij wordt overwogen dat het niet toekenningen strijd oplevert met art. 26 IVBPR Pro en art. 14 EVRM Pro waarvoor geen rechtvaardigingsgrond is.
90%-regeling, gewoon recht hebben op de heffingskorting. Ook de verhoging van de heffingskorting voor de partner zou kunnen worden verleend op basis van de 90%-regeling. Op deze wijze wordt voorkomen dat een in het buitenland wonende en werkende partner aanspraak kan maken op de bijzondere verhoging voor de inkomstenbelasting voor niet-inwoners (premiedeel).
niet-ingezetenen strijdig is met het gemeenschapsrecht indien nagenoeg het gehele inkomen (tussen de 90% en 100%) in Nederland wordt genoten. Immers, een niet-ingezetene die nagenoeg zijn gehele inkomen in Nederland verdient, bevindt zich in een gelijke situatie als een inwoner van Nederland met gelijke inkomsten uit gelijke bronnen en heeft dientengevolge recht op een gelijke behandeling. [34] Echter, een inwoner met gelijke inkomsten uit gelijke bronnen heeft recht op een volledige verrekening van het belastingdeel van de heffingskorting en de onverrekende premiedelen van de heffingskorting met de verschuldigde inkomstenbelasting, ongeacht het gedeelte van het wereldinkomen dat hij in het buitenland verdient.