Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Inleiding
nietom een op zich
beslissendeomstandigheid. Dat lijkt [eiseres] in cassatie te miskennen. De klachten strekken, naar de kern genomen, ten betoge dat aan de kant van (of misschien moet ik zeggen: in de sfeer van) Dana sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. Zelfs als dat juist zou zijn dan is dat in ’s Hofs visie dus niet voldoende. Nu dat oordeel, als gezegd, niet wordt bestreden, kan twijfel rijzen over de vraag of [eiseres] wel belang bij haar klachten heeft.
4.Bespreking van de klachten in het principale beroep
medegelet op de eerder in dezelfde overweging genoemde tekeningen moet hebben beseft dat zij ook bij de werkzaamheden aan de transponders in de buurt kwam van de messenger line en dat de messenger line diende te worden geborgd. ’s Hofs oordeel is derhalve niet gegrond op de
enkeleomstandigheid dat de tekeningen zich aan boord bevonden en een gedetailleerde kaart aan stuurman [betrokkene 6] is gegeven.
Dananiet kon worden gevergd dat zij uiteenzette op welke wijze de messenger line moest worden gezekerd. De door [eiseres] opgeworpen stelling betreft de taken van
GBD, niet de taken van Dana. Niet valt in te zien waarom de stelling dat het aan GBD was om [eiseres] te instrueren omtrent het oppikken van de messenger line het Hof tot een ander oordeel met betrekking tot Dana had moeten brengen. Het onderdeel loopt hierin spaak.
duidelijkheidvan de instructies van Dana betekenis is toegekend aan de omstandigheid dat [betrokkene 4] per e-mail nogmaals een waarschuwing aan [betrokkene 3] heeft gezonden. [betrokkene 3] vertegenwoordigde immers Dana, aldus [eiseres].
van GBDop de ‘knock for knock’-bepaling gelet op die fouten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, omdat het antwoord op deze vraag van belang is voor de beoordeling van de vraag of Dana met succes een beroep op de exoneratie kon doen. De ten behoeve van Dana opgenomen exoneratie is immers op grond van de 'Himalaya'-clausule’ afgeleid van deze 'knock for knock'-bepaling.
concreteverwijzingen dient te bevatten naar vindplaatsen in de gedingstukken van betrokken stellingen. Deze rechtspraak kan – naar voor zich spreekt – niet anders worden begrepen dan dat het moet gaan om
juistevindplaatsen. Bovendien staat de gewraakte handelwijze op zéér gespannen voet met een goede procesorde. Procedures worden onnodig vertraagd, onnodig beslag wordt gelegd op de kostbare tijd van de advocaat van de wederpartij, wiens bij het napluizen van onjuiste vindplaatsen objectief bezien nutteloze bemoeienissen voor rekening van zijn cliënt komen; ook Uw Raad en het Parket kunnen hun tijd nuttiger besteden dan door het natrekken van niet geëtaleerde stellingen.
behoevente worden behandeld. Art. 21 Rv Pro. maakt een dergelijke aanpak mogelijk. [23] Voor zover dergelijke klachten hierna toch worden besproken, gebeurt dat ten overvloede en ter voorlichting van Uw Raad.
wederzijdseschuld een rol kan spelen.
onderdelen 2.3en
2.4falen in het kielzog van onderdeel 2.2. Dat behoeft geen verdere toelichting.
waarom[betrokkene 1] deze bijeenkomst niet heeft bijgewoond. Te weten, omdat hij niet op voorhand alle documentatie had ontvangen en dat het bijwonen van de bijeenkomst niet verplicht was. Voorts stelt [eiseres] dat gesteld noch gebleken is dat het belang van het aan boord halen van de messenger line ter gelegenheid van de HAZID-bijeenkomst is besproken.
zodat [eiseres] het in beginsel niet in haar macht had om meer tijd te nemen voor de overdracht,aldus het onderdeel.
onderdeel 2.9zou het Hof hebben miskend dat bij de beantwoording van de vraag of een beroep op de exoneratie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen. Onder verwijzing naar de in het arrest Saladin/HBU [32] opgenomen omstandigheden-catalogus stelt [eiseres] dat het Hof heeft nagelaten de navolgende omstandigheden in zijn beoordeling te betrekken:
onderdeel 2.10erover dat het Hof geen consequenties heeft verbonden aan de omstandigheid dat [eiseres] niet was verzekerd tegen de schade geleden door tijdsverlet, althans onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze omstandigheid niet van belang is voor de beoordeling van het door [eiseres] gedane beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
hoogtevan de niet door verzekering gedekte schade. Daaromtrent vermeldt het middel niets.
onderdeel 3vindt in het voorafgaande haar Waterloo.
onderdeel 4.1ten betoge dat [betrokkene 4] leidinggevende was op het boorplatform en daarom een leidinggevende positie bekleedde bij Dana. Het Hof had de stellingen van [eiseres] zo moeten verstaan, zo lees ik het onderdeel. Deze lezing wordt ondersteund door
onderdeel 4.2waarin wordt aangevoerd dat leidinggevende is hij die “binnen een afgebakend project of op een locatie (zoals een boorplatform) eindverantwoordelijk is”.
onderdeel 4.3heeft het Hof in rov. 11 en 12 miskend dat het afwijken van de eigen veiligheidsprocedure door toe te laten dat de messenger line niet was veiliggesteld voordat met de werkzaamheden was begonnen in het onderhavige geval grove schuld of opzet van de bedrijfsleiding van Dana oplevert, mede gelet op de omstandigheid dat:
gehoudenwas, is moeilijk te rijmen met art. 6:254 BW Pro.
Onderdeel 6zet in op de “evergreen” van het ten onrechte en zonder enige motivering passeren van het bij memorie van antwoord door [eiseres] gedane en voldoende gespecificeerde bewijsaanbod. Dit bewijsaanbod houdt het volgende in:
[betrokkene 8]: dat hij niet eerder in het Hanze veld was geweest; dat hem nooit (door enige medewerker van Dana of wie dan ook) duidelijk is gemaakt wat voor hem ook niet uit de ‘scope’ bleek, namelijk dat het de bedoeling was om voor het duiken op de transponderlocaties in ieder geval eerst de messenger lijn aan boord te nemen, ook als visueel en/of per radar zou worden waargenomen dat de merktekens die het einde van die lijn markeerden zich op meer dan 100 meter afstand van de duiklocatie bevonden; voorts dat hij geen aanleiding zag een ‘management of change’ procedure in gang te zetten toen besloten werd eerst TP4 en 5 op te duiken en dat [betrokkene 3] ook geen blijk gaf dit noodzakelijk of wenselijk te achten.
[betrokkene 6]: dat hij als stuurman de wacht had van 1900 op 29 juni 0600 op 30 juni 2006; dat [betrokkene 8] en [betrokkene 3] rond middernacht het uit te voeren werk op de brug kort kwamen bespreken waarbij over de messenger lijn alleen werd gezegd dat duidelijk zou zijn waar die zich bevond omdat er twee boeien aan het einde zouden zitten; dat toen niet gezegd is dat daar iets mee moest worden gedaan, anders dan daar vrij van blijven, voorafgaand aan het duiken op de locatie van TP5; dat na aankomst bij het Hanze veld op de brug een paar e-mails zijn neergelegd door [betrokkene 3], wat niet onder zijn aandacht is gebracht; dat hij na het binnenvaren van de veiligheidszone twee boeien heeft gezien, de ene omdat die een licht had en de andere omdat die een radarsiginaal gaf, op tussen 100 en 150 meter ten zuidwesten van de locatie van TP5; dat het schip naar die locatie is gevaren en daar TP5 heeft opgedoken met de genoemde boeien op de genoemde afstand, en dat daarna het schip rond 05:15 uur in noordelijke richting is gevaren, weg van de messenger lijn boeien, waarna het incident plaatsvond.
[betrokkene 1]: dat hij niet eerder bij het Hanze veld was geweest, dat hij nadat hij aan boord kwam op 29 juni 2006 eerst eigener beweging en toen nog eens op verzoek van [betrokkene 3] de ordner met het GBD werkplan heeft doorgekeken voordat aan boord de werkbespreking plaatsvond, dat tijdens die bespreking is besloten eerst de transponders op te duiken en dat dat een ongevaarlijke klus zou zijn die in het donker kon worden uitgevoerd; dat [betrokkene 3] en [betrokkene 8] tijdens die bijeenkomst daarover geen opmerkingen hadden en dat de later opgemaakte notulen daarvan niet in alle opzichten juist zijn.
[betrokkene 7]: dat hij in beperkte mate betrokken was geweest in het voortraject, dat besprekingen daarover zijn gehouden zonder afgevaardigde van [eiseres], dat hij dat onjuist vond, dat in de laatste week voor het incident namens GBD zowel [betrokkene 9] als [betrokkene 8] aan boord waren, dat met hen informeel over het werk bij het Hanze platform is gesproken, dat daarvoor geen Hazid-bijeenkomst is gehouden, dat [betrokkene 5] en [betrokkene 10] bij hem aan boord zijn geweest op 22 juni 2006 en dat toen niet in detail over het Hanze project is gesproken.”
waaromhet bewijsaanbod (voldoende) ter zake dienend was. Dat had op twee manieren kunnen gebeuren:
waarombeoordeling van één of meer van de hiervoor besproken klachten tot een andere dan de hiervoor vermelde uitkomst zou moeten luiden in het licht van het hiervoor geciteerde bewijsaanbod. [43] Evenmin wordt
adequaathoor en wederhoor niet in geding is.
cruciale nieuwestellingen van Dana.
[betrokkene 6], terwijl ook [eiseres] bij pleidooi heeft toegegeven dat er tekeningen aan boord waren (zie rov. 9, 10 en 11). Op grond van dit een en ander is hoe dan ook begrijpelijk dat het beroep op de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid faalt.
5.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
Onderdeel awijst er in dat verband nog op dat de messenger line slechts kon worden binnengehaald nadat het schip de veiligheidszone was binnengevaren.