Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
wide margin of appreciationweliswaar niet aan de orde, maar uitgaande van de ratio van de cassatiebepalingen in de ZW en de WAO (uniformiteit van uitleg van bepaalde termen in de loonbelastingwetgeving en de sociale-verzekeringswetgeving) zijn een ZW- of WAO-aanvrager en een Wamil-aanvrager geen gelijke gevallen met betrekking tot toegang tot de cassatierechter. De rechtsbescherming in de Wamil voldoet voorts op zichzelf beschouwd aan de eisen die het Europese Hof voor Rechten van de Mens (EHRM) stelt.
2.De feiten, de voorafgaande Wajong-procedure en de Wamil-bezwaarfase
3.Het geding in feitelijke instanties
tijdensmilitaire dienst arbeidsongeschikt te zijn geworden. Hij is bij aanvang van die dienst door een arts van het Ministerie van Defensie medisch goedgekeurd voor het vervullen van militaire dienst, zodat hij bij aanvang daarvan er niet vanuit hoefde gaan dat hij mogelijk arbeidsongeschikt zou zijn.
slechts indien en voor zoverre geen aanspraken krachtens andere wettelijke regeling geldend gemaakt kunnen worden. In de toelichting op dit artikel worden uitkeringen vermeld welke in dit verband van belang kunnen zijn. Genoemd worden: uitkeringen krachtens de ZW, de WAO en AAW.
onder “aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling”. Op grond van het bepaalde onder 1a ten tweede van dit artikel worden daaronder ook begrepen:
“aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling, indien deze door toedoen van de belanghebbende of in verband met het doormaken van wachtdagen niet kunnen worden geldend gemaakt”.
4.Het geding in cassatie
5.Wet- en regelgeving
WAO, ZW en Wajong
i.e.afhankelijk van het niet-bestaan van aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling (zoals de ZW of de WAO). De MvT vermeldt daarover (p. 4, l.k.):
curs.in origineel):
Onderdeel a, ten tweede.Zoals in het algemeen deel van deze memorie reeds is opgemerkt heeft de onderhavige regeling een aanvullend karakter d.w.z. dat geen uitkering wordt verleend, indien en voor zover ter zake van dezelfde arbeidsongeschiktheid aanspraak op uitkering bestaat uit anderen hoofde. Het ligt evenwel voor de hand, dat wanneer “de andere wettelijke regeling" geen uitkering verleent, hetzij vanwege het doormaken van wachtdagen, hetzij door toedoen van de belanghebbende [40] (b.v. het opzettelijk veroorzaken van de arbeidsongeschiktheid) de onderhavige regeling in die gevallen bij de beoordeling of recht op uitkering bestaat ervan uitgaat als ware de belanghebbende in vorenbedoelde gevallen wel ziekengeld of arbeidsongeschiktheidsuitkering verleend.
Artikel 3, eerste lid.Dit lid beoogt de belanghebbenden, die op de dag, waarop hun verblijf in werkelijke dienst eindigt, arbeidsongeschiktheid zijn, voor wat betreft het recht op uitkering ter zake van die arbeidsongeschiktheid in materieel opzicht op één lijn te stellen met degenen, die als verzekerde ingevolge de Z.W. arbeidsongeschikt zijn geworden. De bepaling, dat recht op uitkering eveneens bestaat wanneer de arbeidsongeschiktheid intreedt binnen een maand na de dag, waarop het verblijf in werkelijke dienst eindigt, is ontleend aan de Z.W. waarin een soortgelijke bepaling inzake nawerking van de aan de verzekering te ontlenen rechten is opgenomen.
6.Jurisprudentie
Kersbergen-Lapvoor het HvJ betrof de vraag of de Wajong-uitkering een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie is ex art. 4(2 bis) Vo. 1408/71. Zo ja, dan moest uitsluitend de coördinatieregeling in art. 10 bis Pro Vo 1408/71 worden toegepast en zou een Wajong-uitkering niet worden verstrekt aan iemand die buiten Nederland woont. Het HvJ beantwoordde de vraag bevestigend: [54]
Hendrixvan het HvJ betrof mede de vraag of de exportbeperking (het woonplaatsvereiste) in de Wajong het vrije verkeer van werknemers (art. 39 EG Pro) of het recht van vrij reizen en verblijven van Unieburgers (artt. 12 en 18 EG) schond. Het HvJ beantwoordde die vraag ontkennend: [55]
7.Beschouwing
Algemeen
wide margin of appreciationbestaat, [60] bestaat daaraan in casu ook geen behoefte, nu de belanghebbende toegang had tot twee volledig bevoegde instanties. Het gegeven dat de Wamil rechtspraak in twee feitelijke instanties biedt maar geen cassatie, is op zichzelf geen reden voor twijfel aan de verenigbaarheid van de Wamil met internationaal recht: aangenomen dat de aanspraak op een sociale voorziening zoals de Wamil onder “civil rights and obligations” ex art. 6(1) EVRM valt, [61] voldoet Nederland aan de eis van “review by a higher tribunal” ex art. 14(5) IVBPR. [62] De CRvB beoordeelt de zaak immers als appelrechter in volle omvang opnieuw. Art. 6 EVRM Pro verplicht de verdragsluitende landen niet om een cassatie-instantie in te stellen, zo volgt uit
Delcourt v. Belgium. [63]
Kersbergen-Lap. Dan resteert de vraag of het recht op vrij reizen en verblijven van Unieburgers binnen de Unie een beletsel is voor de woonplaatseis in de Wajong (implicerende de vraag of de genoemde wijzigingsverordening op dit punt in strijd komt met primair EU-recht). Het HvJ heeft die vraag ontkennend beantwoord in het boven (zie 6.4) geciteerde arrest
Hendrix.
8.Beoordeling van het cassatieberoep
Hendrix(zie 7.12 en 6.4).