Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
De Rechtbank
De Centrale Raad van Beroep
Rottman, Ruiz Zambrano, McCarthy, Dereçi, Iida, O. en S., Ymeragaen
Åkerberg Fransson: het (toepassingsbereik van het) Unieburgerschap en van het EU-Handvest
Ruiz Zambrano, McCarthyen
Dereçi
1.Overzicht
Dereçiblijkt dat van ontzegging van het genot van de Unieburgerrechten slechts sprake is als de Unieburger feitelijk gedwongen wordt het Uniegrondgebied te verlaten; dat daarvan geen sprake is bij weigering van kinderbijslag op grond van onrechtmatig verblijf; en dat de jurisprudentie van het HvJ EU geenszins het systeem van de Koppelingswet diskwalificeert.
Ruiz Zambrano-criteria, waardoor het Unieburgerschap van belanghebbendes dochter haar geen verblijfsrecht en daarmee ook geen AKW-verzekering kan opleveren. Vast staat voorts dat niet van toepassing zijn de Verblijfsrichtlijn, de Gezinsherenigingsrichtlijn of de Richtlijn inzake langdurig ingezeten onderdanen van derde landen en dat belanghebbendes dochter nooit gebruik heeft gemaakt van het vrije EU-verkeer. Belanghebbendes zaak valt daardoor niet binnen de werkingssfeer van het EU-recht, zodat ook het EU-Handvest van de Grondrechten niet van toepassing is.
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
3.Het geding in feitelijke instanties
Ruiz Zambrano(zie 8.2 hierna), over de betekenis van het Unieburgerschap ex art. 20 en Pro 21 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU) voor nationale immigratie- en naturalisatiewetgeving. De SVB heeft de CRvB daarop verzocht om procedures waarbij kinderen met de Nederlandse nationaliteit waren betrokken, aan te houden om de betekenis van dat arrest voor die procedures - waaronder die van de belanghebbende - te kunnen onderzoeken. De CRvB heeft dit verzoek ingewilligd. Na de zitting heeft de CRvB partijen uitgenodigd om hun zienswijze op de implicaties van
Ruiz Zambranouiteen te zetten en hij heeft het onderzoek heropend. Op 5 mei 2011 wees het HvJ EU vervolgens arrest in de zaak
McCarthy(zie 8.3 hierna), eveneens betreffende het Unieburgerschap en immigratiewetgeving. Op 23 juni 2011 heeft de SVB zijn mening over de gevolgen van
Ruiz Zambranoen
McCarthygegeven. De belanghebbende heeft daarop bij brief van 5 juli 2011 gereageerd en de CRvB verzocht een prejudiciële vraag te stellen aan het HvJ EU. Dat heeft de CRvB niet gedaan. Op 15 november 2011 wees het HvJ arrest in de zaak
Dereçi(zie 8.4 hierna), wéér over het Unieburgerschap en nationale immigratiewetgeving. Op 14 februari 2012 heeft de CRvB de belanghebbende schriftelijk vragen gesteld. Bij brief van 19 maart 2012 heeft zij daarop gereageerd. Op 14 juni 2012 heeft een tweede zitting plaatsgevonden. Belanghebbendes zaak is op die zitting gezamenlijk met negen andere zaken behandeld. [8] Bij brief van 20 juli 2012 heeft de CRvB de belanghebbende gevraagd een overzicht van de aan haar zoon verleende bijstand te overleggen. Bij brief van 1 augustus 2012 heeft de belanghebbende geantwoord dat de CRvB zich daarvoor beter kon wenden tot de gemeente die die bijstand heeft verleend omdat deze dat overzicht sneller en eenvoudiger kan produceren. Bij brief van 3 augustus 2012 heeft de CRvB de belanghebbende geantwoord dat zij het overzicht zelf moet verstrekken omdat de betreffende gemeente in haar procedure geen partij is. [9] Bij brief van 23 augustus 2012 heeft de belanghebbende een overzicht verstrekt. [10]
Ruiz Zambranoen
Dereçivolgt dat ouders met de nationaliteit van een derde staat die een kind hebben dat EU-burger is en die met dat kind in de EU wonen, een verblijfsrecht hebben indien uitzetting van de ouders er toe zou leiden dat het kind feitelijk geen keus heeft dan zijn ouders te volgen en daardoor feitelijk gedwongen wordt EU-grondgebied te verlaten. Hij overwoog vervolgens:
4.Het geding in cassatie
Nuñez v. Norway. [17] Door de belanghebbende kinderbijslag te onthouden, wordt de zoon bovendien gediscrimineerd ten opzichte van kinderen wier ouders wel recht hebben op kinderbijslag. Voor die discriminatie bestaat geen rechtvaardiging, nu (i) het doel van de Koppelingswet - tegengaan van schijnlegaliteit en aansporen van vreemdelingen tot vertrek - reeds ingevolge art. 3 Vierde Pro Protocol bij het EVRM [18] geen legitiem doel is, en (ii) weigering van kinderbijslag geen effectief en geschikt middel is om dat doel te bereiken, maar de zoon slechts schade toebrengt. Het belang van het kind heeft zodanig gewicht dat de Staat geen ruime beoordelingsmarge heeft; dat volgt uit
Popov v. France. [19] Dat geldt te meer als het gezin, zoals in casu, onder de armoedegrens leeft; zeker tot september 2009.
Zu en Chen [20] volgt dat de zoon niet verantwoordelijk is voor belanghebbendes keuzen en dat de Koppelingswet zoons EU-verblijfsrecht in gevaar brengt, nu een Unieburger helemaal niet aangespoord mag worden om te vertrekken. De Koppelingswet schendt bovendien het recht van een kind op bescherming ex art. 24 juncto Pro 34(3) van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).
Petrovic v. Austria [21] volgt dat art. 8 EVRM Pro de Staten niet dwingt tot verstrekking van gezinsuitkeringen;
Nuñez v. Norway, Zu en Chenen de uitspraak van het
UK Supreme Courtgaan over het verband tussen de nationaliteit van het kind en het verblijfsrecht van zijn ouder(s); niet over kinderbijslag;
Zambranoen
Dereçizou volgen dat aan de belanghebbende ex art. 20 VwEU Pro rechtstreeks een verblijfsrecht toevalt. Uit geen van beide arresten kan worden afgeleid dat in een situatie als die van
Zambranosprake is van een rechtstreeks verblijfsrecht naar analogie van een recht ontleend aan de Verblijfsrichtlijn. Uit de verwijzing van het HvJ EU in
Zambranonaar
Rottman(zie 8.1 hierna) volgt veeleer dat de bevoegdheid om het verblijf van derdelanders te regelen bij de lidstaten ligt, waaraan niet afdoet dat zij die bevoegdheid met respect voor het Unierecht moeten uitoefenen. Van gebrek aan zulk respect is geen sprake als een lidstaat eist dat een belanghebbende de voorgeschreven administratieve procedure volgt om een verblijfsvergunning aan te vragen en aan de te verstrekken vergunning voorwaarden en beperkingen stelt. Alleen de wettelijk daartoe aangewezen IND kan over het verblijfsrecht beslissen; zolang die niet heeft vastgesteld dat de belanghebbende rechtmatig in Nederland verblijft, moet de SVB er op grond van de Koppelingswet van uit gaan dat art. 6(2) AKW aan toekenning van kinderbijslag in de weg staat. Weliswaar achtte het HvJ EU in
Zambranoook de weigering van een arbeidsvergunning in strijd met EU-recht, maar dat impliceert niet dat die weigering van een arbeidsvergunning op zichzelf al effectieve ontzegging van het genot van de belangrijkste Unieburgerrechten aan de kinderen meebracht, nu het HvJ deze weigering zag als onderdeel van de weigering van verblijfsrecht. Uit
Dereçiblijkt dat van ontzegging van het genot van de Unieburgerrechten slechts sprake is als de Unieburger feitelijk gedwongen wordt het Uniegrondgebied te verlaten; daarvan is geen sprake bij weigering van kinderbijslag op grond van onrechtmatig verblijf. De jurisprudentie van het HvJ EU diskwalificeert dus geenszins het systeem van de Koppelingswet.
Van Gend en Loosen
Costa/ENEL. [23] Gelet op de uitspraak van de CRvB van 13 juni 2006, LJN AY3868, [24] kan de SVB zich niet verschuilen achter de IND, maar is het zijn eigen verantwoordelijkheid om vast te stellen of recht op kinderbijslag bestaat. Uit de jurisprudentie van het HvJ EU en het EHRM volgt dat de belangen en rechten van het kind centraal staan. Dat blijkt ook uit het Handvest en diverse internationale verdragen. Die belangen en rechten worden geschonden door kinderbijslag te weigeren, te meer nu in casu het gezin daardoor onder de armoedegrens leeft - en dat maakt de weigering van kinderbijslag schadelijk voor de zoon - en de zoon geen verwijt kan worden gemaakt voor gedragingen van zijn ouders. Zij beroept zich op jurisprudentie van het HvJ EU waaruit blijkt van een afgeleid verblijfsrecht van de ouders van een afhankelijk kind dat Unieburger is.
acte éclairéis, zodat hij er vrede mee heeft als daarover prejudiciële vragen worden gesteld.
Zambranoen
Dereçiuit art. 20 en Pro 21 VwEU wel degelijk een rechtsreeks verblijfsrecht heeft afgeleid voor het familielid van de afhankelijke Unieburger. [25] Uitsluiting van kinderbijslag met als doel het tot vertrek aansporen van de verzorgende ouder is nimmer in overeenstemming met art. 20 VwEU Pro.
5.Intern recht en volkenrecht
6.Unierecht
7.Afbakening van de (resterende) rechtsvraag; deelconclusie
Rottman, Ruiz Zambrano, McCarthy, Dereçi, Iida, O. en S.,YmeragaenÅkerberg Fransson: het (toepassingsbereik van het) Unieburgerschap en van het Handvest van de Grondrechten van de EU
Rottman [29] betrof een geboren Oostenrijker die naar Duitsland was verhuisd en de Duitse nationaliteit verkreeg, hetgeen verlies van zijn Oostenrijkse nationaliteit meebracht. Hij had bij zijn aanvraag verzwegen dat hij in Oostenrijk werd vervolgd en dat een arrestatiebevel tegen hem was uitgevaardigd. Toen dit de Duitse autoriteiten bekend werd, trokken zij zijn Duitse nationaliteit in. Omdat Rottman niet voldeed aan de voorwaarden voor terugkrijgen van de Oostenrijkse nationaliteit dreigde hij staatloos te worden. De Duitse rechter vroeg het HvJ EU of dat gevolg verenigbaar is met EU-recht. Het HvJ verwierp het standpunt van Duitsland en Oostenrijk dat het EU-recht niet relevant zou zijn: [30]
Ruiz Zambrano [31] ontbrak elke uitoefening van EU-verkeersvrijheden: alles speelde zich binnen één lidstaat af. De zaak betrof een Colombiaan die in 1999 in België asiel vroeg. Zijn eveneens Colombiaanse echtgenote reisde hem korte tijd later na met hun minderjarige kind en vroeg eveneens om de vluchtelingstatus. De Belgische autoriteiten weigerden hen die status, maar vanwege de burgeroorlog in Colombia werden zij niet teruggestuurd. Het echtpaar kreeg in België een tweede en een derde kind, die beiden de Belgische nationaliteit verkregen. In 2001 zijn de echtelieden in België ingeschreven en werd Zambrano door een Belgisch bedrijf voltijds voor onbepaalde tijd in dienst genomen, zodat hij in zijn onderhoud en dat van zijn gezin kon voorzien. Het ontbreken van een arbeidsvergunning leidde er echter toe dat de arbeidsverhouding moest worden beëindigd. In 2009 verkreeg Zambrano een voorlopige, verlengbare verblijfsvergunning en een arbeidsvergunning die echter geen terugwerkende kracht had. Het ontbreken van die terugwerkende kracht en de daarop gebaseerde weigering van een werkloosheidsuitkering leidden tot een procedure voor de Belgische rechter waarin Zambrano stelde rechtstreeks aan het EG-Verdrag een verblijfsrecht te ontlenen, althans op grond van de zaak
Zhu en Chen [32] een afgeleid verblijfsrecht te ontlenen aan de afhankelijkheid van zijn jonge kinderen - Unieburgers - zodat het arbeidsvergunnings-vereiste voor hem niet gold. Het HvJ EU overwoog na prejudiciële verwijzing:
McCarthy [33] betrof de Jamaicaan George McCarthy. Hij kwam in 2002 het Verenigd Koninkrijk (VK) binnen als bezoeker (“visitor”), welke status hem het recht gaf om zes maanden in het VK te verblijven. Shirley McCarthy was geboren in het VK, had de Britse nationaliteit, had altijd in Engeland gewoond en ontving Britse sociale-zekerheidsuitkeringen. Zij had de zorg voor drie kinderen, van wie één gehandicapt. George en Shirley ontmoetten elkaar in 2002 tijdens George’s legale verblijf in het VK en zij trouwden op 15 november 2002. Na haar huwelijk vroeg Shirley - voor de eerste keer - een Iers paspoort aan, dat werd verleend omdat haar moeder in Ierland was geboren. George vroeg in 2002 een verblijfsvergunning in het VK aan, die werd geweigerd. Op 23 juli 2004 verzocht Shirley om verblijfsdocumenten op grond van de Verblijfsrichtlijn. George diende eenzelfde verzoek in als echtgenoot van een Unieburger. Bij beschikking van 6 december 2004 werden beide verzoeken afgewezen omdat Shirley niet voldeed aan de voorwaarden: alleen werknemers, zelfstandigen en personen met voldoende bestaansmiddelen kwamen in aanmerking. Bijgevolg kon George niet worden aangemerkt als echtgenoot van een persoon die aan de voorwaarden voldeed. Aan George werd voorts meegedeeld dat hij niet langer legaal in het VK verbleef. De echtelieden procedeerden daartegen. De hoogste nationale rechter stelde het HvJ EU onder meer de prejudiciële vraag of Shirley “begunstigde” was in de zin van de Verblijfsrichtlijn, zodat haar verzoek zou moeten worden ingewilligd. Het HvJ overwoog:
Dereçi [34] betrof vijf belanghebbenden, onder wie Murat Dereçi, Turks onderdaan, [35] die in november 2001 illegaal Oostenrijk was binnengekomen. In juli 2003 huwde hij een Oostenrijkse met wie hij drie kinderen kreeg, in 2006, 2007 en 2008, die allen de Oostenrijkse nationaliteit verkregen. Zijn in 2004 ingediende aanvraag om een verblijfstitel werd afgewezen na inwerkingtreding van de
Niederlassungs- und Aufenthaltsgesetzdie aanvragers uit derde landen verplichtte de beslissing buiten Oostenrijk af te wachten. De Oostenrijkse autoriteiten oordeelden daarom dat Dereçi vanaf 1 januari 2006, hoewel in afwachting van de beslissing op zijn aanvraag, illegaal in Oostenrijk verbleef en vaardigden een uitzettingsbevel tegen hem uit. Dereçi stelde daartegen beroep in. Zijn verzoek om schorsende werking werd afgewezen. Dereçi wilde niet alleen in Oostenrijk blijven om daar met zijn gezin samen te leven maar ook om als kapper te werken en aldus voor zijn gezin te kunnen zorgen. Hij maakte aanspraak op een verblijfsrecht op de grond dat zijn uitzetting er toe zou leiden dat zijn kinderen en vrouw effectief het genot van hun Unieburgerrechten zou worden ontzegd. Op prejudiciële vragen van de Oostenrijkse rechter overwoog het HvJ (r.o. 47) dat de Gezinsherenigingsrichtlijn 2003/86/EG [36] niet van toepassing was omdat zij ingevolge art. 3(3) niet van toepassing is op gezinsleden van een Unieburger. Ook de Verblijfsrichtlijn was niet van toepassing:
Zambrano; PJW] volgt dat het criterium van de ontzegging van het effectieve genot van belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten, betrekking heeft op gevallen die erdoor gekenmerkt worden dat de burger van de Unie feitelijk wordt verplicht om het grondgebied van niet alleen de lidstaat waarvan hij staatsburger is, maar ook dat van de Unie als geheel te verlaten.
Ruiz Zambrano,
McCarthyen
Dereçizijn de drie belangrijkste over ‘autonome’ toepasselijkheid (i.e. bij ontbreken van gebruikmaking van de verkeersvrijheden) van het Unieburgerschap. Ik behandel volledigheidshalve nog drie na
Dereçigewezen arresten over het Unieburgerschap, de daaraan verbonden belangrijkste rechten en de rol van het Handvest, alsmede de zaak
Åkerberg Franssonover het bereik van het Handvest ter zake van handelingen van de lidstaten, met name over de uitleg van de term “uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen” in art. 51(1) Handvest.
Iida [37] betrof een Japanner die in de VS was getrouwd met een Duitse. Hun dochter was in de VS geboren en had de Duitse, de Japanse en de Amerikaanse nationaliteit. Nadat het gezin naar Duitsland was verhuisd, verkreeg Iida aldaar een verblijfsvergunning tot gezinshereniging. Hij werkte voltijds op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in Ulm. In 2007 ging zijn echtgenote voltijds in Wenen werken. Hoewel de echtgenoten aanvankelijk een levensgemeenschap tussen Ulm en Wenen behielden, leefden zij sinds januari 2008 duurzaam, maar niet van echt gescheiden. Beiden hadden het ouderlijk gezag over hun dochter, hetgeen zij samen uitoefenden, al verbleef de dochter sinds maart 2008 gewoonlijk in Wenen, waar zij onderwijs volgde. Iida bezocht zijn dochter één weekend per maand in Wenen en zijn dochter bracht de meeste vakanties bij hem in Ulm door. Hun relatie was uitstekend en zij reisden ook samen. Na het vertrek van zijn vrouw en dochter naar Wenen was een zelfstandig verblijfsrecht voor Iida in Duitsland uitgesloten omdat de echtgenoten niet gedurende ten minste twee jaar in Duitsland hadden samengewoond en geen vrijstelling van deze voorwaarde hadden gevraagd. Iida kreeg wel op grond van zijn baan in Ulm een verblijfsvergunning die steeds kon worden verlengd. Hij diende een verzoek in voor een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen ex richtlijn 2003/109/EG, [38] maar trok dat later in. Ook vroeg hij een ”verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie” op grond van de Verblijfsrichtlijn. Die werd hem geweigerd. De daarop door hem geadieerde Duitse rechter vroeg zich onder meer af of (i) de Verblijfsrichtlijn op Iida van toepassing is, (ii) het Handvest van toepassing is, (iii) ongeschreven Unierechtelijke grondrechten in volle omvang kunnen worden toegepast en of (iv) gezien het arrest
Zu en Chenuit art. 21(1) VwEU een verblijfsrecht voor Iida kan worden afgeleid. Het HvJ overwoog:
Eind [39] (punt 64). Het HvJ stapte daarom ook in deze zaak over naar art. 20 en Pro 21 VwEU:
Zu en Chen, Einden
Dereçioverwoog het HvJ:
Zambrano-rechtspraak op deze gevallen moest worden toegepast. Het HvJ constateerde dat de Verblijfsrichtlijn niet van toepassing was, nu de kinderen van S. en L. uit hun eerste huwelijken, hoewel Unieburgers, nooit gebruik hadden gemaakt van hun recht van vrij verkeer maar altijd in Finland hadden gewoond. Het HvJ herhaalde zijn oordeel uit
Dereçidat het
Zambrano-criterium (effectieve ontzegging van genot van de belangrijkste Unieburgerrechten) “een zeer bijzonder criterium” is en het aan de verwijzende rechter is om te beoordelen of eraan wordt voldaan. Hij gaf die rechter daarbij de volgende handvatten:
Ymeraga, [41] een Kosovaar die in 1999 als vijftienjarige in Luxemburg ging wonen, bij zijn oom die zijn wettelijke voogd werd. Tussen 2006 en 2008 kwamen ook zijn ouders en twee broers over. In 2009 kreeg Ymeraga de Luxemburgse nationaliteit, waarna zijn ouders en broers verblijfsvergunningen aanvroegen op grond van hun familieband met een Unieburger. Luxemburg wees die aanvragen af omdat de Verblijfs- en Gezinsherenigingsrichtlijnen niet van toepassing waren. De Luxemburgse rechter vroeg zich af of uit art. 20 VwEU Pro of het Handvest een recht op gezinshereniging voortvloeide. Het HvJ overwoog opnieuw dat (i) de Verblijfsrichtlijn toepassing miste omdat Ymeraga nooit gebruik had gemaakt van zijn recht van vrij verkeer maar altijd in Luxemburg had gewoond en (ii) de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing is op familieleden van een Unieburger die geen gebruik van zijn vrijheden heeft gemaakt. Wat art. 20 VwEU Pro betreft, herhaalde het HvJ zijn criteria uit de zaken
Dereçien
Iida, waarna hij deze toepaste op Ymeraga’s geval:
Åkerberg Fransson. [42] Uit die zaak blijkt dat de Handvestreikwijdte-beperkende term “uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen” in art. 51(1) Handvest niet alleen de implementatie van secundair EU-recht - zoals de Verblijfsrichtlijn of de Gezinsherenigingsrichtlijn - door de lidstaten omvat, maar ruimer geïnterpreteerd moet worden: in alle gevallen waarin een aanknopingspunt met EU-recht bestaat, geldt ook het Handvest: valt een zaak ‘binnen het toepassingsgebied van het Unierecht’, dan zijn ook de grondrechten van het Handvest van toepassing. De zaak betrof een Zweedse visser die eerst administratief beboet en vervolgens strafrechtelijk vervolgd werd voor onder meer BTW-fraude. De vraag was of de tweede criminal charge in strijd was met het verbod op dubbele vervolging in art. 50 van Pro het Handvest, maar de prealabele vraag was of dat Handvest überhaupt van toepassing was, nu betwist kon worden dat de Zweedse sanctionering van BTW-fraude EU-recht ‘ten uitvoer brengt’ in de zin van art. 51(1) van het Handvest. De BTW-Richtlijnen bevatten immers geen sanctie-bepalingen. Het HvJ zag echter genoeg aanknopingspunt met het EU-recht, onder meer omdat de BTW een eigen middel van de EU is en de lidstaten verplicht zijn die middelen even goed te beschermen als hun eigen middelen. Het Hof was vervolgens duidelijk over het toepassingbereik van het Handvest:
9.Enige commentaren op Ruiz Zambrano, McCarthyen Dereçi
Ruiz Zambranothe Court departed from its traditional Union citizenship case law, which was centred on the presence or absence of an inter-State element. As a consequence, a large number of situations could seem to fall henceforth within the scope of Union law which would previously have fallen outside that scope. That would have drastic consequences for the vertical division of competences between the Union and the Member States. On a closer look, however, it seems that the judgment does not entail such wide consequences. As the Court clarified in
McCarthyand
Dereci and Others, it is willing to apply Union law only where the ‘substance of’ citizenship rights is at stake. In such circumstances an inter-State element will no longer be required. In essence, the Court is merely drawing the consequences from its
Rottmannjudgment. If a measure taking away one’s Union citizen status falls within the scope of Union law in the absence of a cross-border dimension, the same should be the case for a national measure completely rendering it impossible for someone to exercise the rights attached to that status. Put differently, national measures which
de iureor
de factoannihilate one’s Union citizenship should be treated equally and be held to fall within the scope of Union law even in the absence of a cross-border dimension.”
Rottmannand more overtly in
Ruiz Zambrano, the Court (finally) detached two sets of circumstances from the wholly internal rule. It established the primacy of EU citizenship law over national measures that either threaten the loss of the status of citizenship per se or deprive citizens of the genuine enjoyment of the substance of associated rights. But the factual example distilled from
Ruiz Zambrano- forced departure from the territory of the Union - was clearly at the high end of how many thought the Court might progress its deciphering of the “substance” criterion in future cases. Confining its scope to forced departure from the Union suggested a character of crisis, of last resort situations. That profile seemed unduly restrictive from the perspective of construing citizenship as a rights-enhancing status, especially in contemplation of the
depthof legal protection that opens up through very minor catalysts of movement - including prospective movement not yet concretely (or required to be) identified.”
McCarthycase differently from
Ruiz Zambranoat the time? The
Dereciclarification did not yet exist (...) and there may have been a real prospect of her having to move to Jamaica (...). (...). It is absolutely great
but not enoughthat the Ruiz Zambrano kids are all right. After
McCarthy, the extent to which the Court had intended to create tiers of families for the purposes of invoking the protection of EU citizenship rights was raised. After
Dereci, fears that families with children were being privileged over those without were laid to rest: by ensuring fewer rights for everyone. It would seem that the Ruiz Zambrano children were, basically, extremely lucky. (...). While the Opinion and judgment refer throughout to the applicant and her husband only, Mrs McCarthy has three children and is the full-time carer of her disabled son. (...). Clearly at least one of them is dependent on her. (...) can she really uproot her family to move to another Member State? It really would not seem so.”
McCarthy(p. 390 en 395):
Dereçide nationale rechter verantwoordelijk maakt voor de beoordeling of het genot van het wezen van de Unieburgerrechten onmogelijk wordt gemaakt door de nationale maatregel (p. 392-393):
Rottman: once the ECJ rules that a certain issue falls within the scope of EU law, it is most reasonable to leave the application of the principles, which the ECJ clarified to be applicable to the situation at issue, to the national courts. This approach allows recourse to the national courts’ knowledge of the situation on the ground in the best possible way, while strengthening the relationship of co-operation between the different levels of judiciary in Europe. This can only be done, however, once the applicability of EU law has been clearly asserted by the ECJ. In the case of the contrary the very rationale of EU law is undermined, as the determination of its scope comes to be conditioned exclusively on the judgement of the national courts.”
Rottman/Ruiz Zambrano“substance of rights” test should not be milder (or stricter) than the classical cross-border situation test.”
Dereçiin EHRC 2012/3) stelt vast dat de relatie tussen de EU-burger en degene die een verblijfsrecht nastreeft geen familieband hoeft te zijn:
Zambranois ingezet. Een belangrijke verruiming ten opzichte van Zambrano is dat het Hof het criterium van ontzegging van het effectieve genot van substantiële rechten relevant acht, ongeacht welke familiaire relatie er tussen beiden is, zolang er maar sprake is van een vorm van een verzorgingsrelatie.”
Zambranozal echter wel een ondergrens vormen voor de beoordelingsvrijheid die lidstaten hier hebben. Dat zal betekenen dat lidstaten minimaal verplicht zijn om aan een ouder met van hem of haar afhankelijke kinderen, die EU-burger zijn, aanspraak te verlenen op (voortgezet) verblijf op grond van het Unieburgerschap van zijn of haar kinderen. Op termijn zal het Hof er mijns inziens echter niet aan ontkomen om ten aanzien van het vorengenoemde spectrum zelf een aanvullende invulling te geven boven het Zambrano-minimum. Lidstaten zullen geneigd zijn de implicaties van EU-burgerschap, dat hun nationale vreemdelingenrecht doorkruist, zeer minimaal te interpreteren. Het Hof zal dan in meer casus een uitspraak moeten doen over de geoorloofdheid van de interpretatie van de lidstaat. Wil het Unieburgerschap werkelijk enig voorzienbaar nuttig effect hebben, dan zal het Hof langs casuïstische weg de grenzen van deze minimale interpretatie moeten aangeven.”
McCarthythat EU citizens do not derive a right to reside in their own country from Article 21 TFEU; this provision continues to require a cross-border element. Consequently, the default will be that, if a citizen has not exercised her freedom of movement, she is outside the scope of EU law for the purposes of this discussion - the label “wholly internal situation” continues to apply. Because of Article 20 TFEU, that label will be scrapped in those extreme cases where there is a threat to the core of citizenship (“the genuine enjoyment of the substance” of the rights conferred by citizenship). This core is, however, very limited for the time being.”
Zambranoafwijkt van de andere taalversies, met name van de procestaal (het Frans) en daardoor een verkeerde indruk kan geven, en dat die term gelezen moet worden als “de essentie van het Unieburgerschap”, zodat het in wezen gaat om toepassing van het EU-rechtelijke effectiviteitsbeginsel: [48]
Ruiz Zambranolaat evenwel een andere test zien: “
Dans ces conditions, l’article 20 TFUE s’oppose à des mesures nationales ayant pour effet de priver les citoyens de l’Union de la jouissance effective del’essentiel
des droits conférés par leur statut de citoyen de l’Union”.(...)
essentievan de burgerschapsrechten, of zoals in de Duitstalige versie valt te lezen: de aantasting van de “
Kernbestands der Rechte” [50] en dus niet om een aantasting van de
belangrijksterechten. Dat is een andere test dan een loutere aantasting van de belangrijkste rechten. De aantasting van de ‘essentie’ van de Unierechten volgt onzes inziens logischerwijs uit het effectiviteitsbeginsel. Overigens heeft alleen de tekst van het arrest dat is opgesteld in de procestaal rechtskracht; [51] in
Ruiz Zambranowas dit de Franse taal.(...)”
Dereçi, gaat het het HvJ er kennelijk om - in gevallen waarin het EU-recht in beginsel niet van toepassing is wegens afwezigheid van een grensoverschrijdend aspect - te voorkomen dat aan het burgerschap van een Unieburger elke betekenis wordt ontnomen.
Opvattingen over de verhouding tussen het Unieburgerschap, Unieburger-rechten, de eis van een grensoverschrijdend aspect en (art. 7 van Pro) het Handvest
Dereçiten onrechte volledig de verbondenheid tussen fundamentele Unierechten en het Unieburgerschap. Dat art. 6(1) VEU en art. 51(2) Handvest uitdrukkelijk willen voorkomen dat het Handvest de werkingssfeer van het EU-recht of de EU-bevoegdheden zou uitbreiden of wijzigen, doen daar zijns inziens niet aan af, want (p. 283):
Dereçiook onjuist omdat justitiabelen voor hun recht op gezinsleven worden afgescheept met art. 8 EVRM Pro, dat volgens hem, gezien de jurisprudentie van het EHRM en het HvJ EU, minder bescherming biedt dan art. 7 Handvest Pro. [55] Hij verwacht dat het HvJ vroeg of laat ’om’ zal gaan (p. 285-286):
Dereçicase.”
Ruiz Zambrano. (...)
civis europeus sum”, crafted by A.G. Jacobs in
Konstantinidis(...), only apply to certain categories of Union citizens? Why should the “common code of fundamental values” laid down in the Charter only apply when Union citizens can prove an actual or potential cross-border link or when their citizenship status as such is at stake? Could it be that the nationality of a Member State automatically opens the gates to the application of the Charter on the basis of art. 20 TFEU Pro? The Court’s judgment in
Derecidoes not provide any definite answers. In contrast to its judgment in
McCarthy, where the Court ruled that art. 21 TFEU Pro was “not applicable” - and contrary also to the view of A.G. Mengozzi - the Court in
Derecidealt only with a potential
infringementof art. 20 TFEU Pro. Hence the exact boundaries between EU law and domestic law for the protection of fundamental rigths remain puzzling even after the judgment.”
Dereçiin het licht van het Verdrag van Lissabon. Een ruimere autonome toepassing zou op veel weerstand bij de lidstaten stuiten, die juist EU
competence creepwilden voorkomen, maar ook zij vragen zich af of er niet ruimte zou moeten zijn voor dezelfde grondrechtenbescherming voor álle EU-burgers en of de instructie die het HvJ de nationale rechter in
Dereçigaf om art. 8 EVRM Pro toe te passen, wel tot vergelijkbare resultaten leidt in niet-Handvestgevallen als in Handvestgevallen:
te instruerengrondrechtenbescherming in zijn oordeel te betrekken, ook in situaties die buiten de werkingssfeer van het Handvest vallen. Dit is enigszins merkwaardig, aangezien de nationale rechter in dergelijke gevallen zelf bepaalt of getoetst wordt aan de grondwet dan wel aan het EVRM en of op basis daarvan een verblijfsrecht kan worden toegekend. Of geeft het Hof hier in een
obiter dictumtoch een bredere uitleg aan EU-grondrechtenbescherming? Daarnaast kun je je afvragen of de toetssteen die door het (EHRM) wordt gebruikt om te bepalen of artikel 8 EVRM Pro geschonden is, een-op-een kan worden toepast op de Europese Unie (...). Volgens A-G Mengozzi in de
Dereci-zaak zouden, ‘[w]anneer Dereci geen verblijfstitel zou verkrijgen en/of zou worden uitgezet naar Turkije, (…) zijn echtgenote noch zijn kinderen, anders dan de kinderen van Ruiz Zambrano, het gevaar lopen dat zij het grondgebied van de Unie moeten verlaten’ (...). Ook al is de EU-onderdaan, indien het verblijfsrecht niet wordt verleend aan Murat Dereci, in tegenstelling tot de Zambrano’s inderdaad
strikt genomenniet gedwongen om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten, de vraag is of zijn effectieve genot van de aan hem toekomende belangrijkste burgerschapsrechten niettemin is aangetast (...). Betekent
Derecieigenlijk niet dat EU-onderdanen gedwongen worden om een keuze te maken tussen enerzijds het hebben van een familie- en gezinsleven buiten de Europese Unie en anderzijds een verblijf binnen de Europese Unie, maar dan zonder familie, c.q. echtgenoot? Hiermee komen we terug bij de keuzes die het Hof, volgens Sharpston in
Ruiz Zambrano [59] , vroeger of later moet maken tussen gelijke tred houden met de situatie zoals die zich ooit ontwikkelde en ontwikkelt in de rechtspraak, of achter de wetgevende en politieke ontwikkelingen aan blijven lopen. De
Dereci-zaak laat zien dat de tijd voor een constitutionele verandering nog niet rijp is. De mogelijkheden voor EU-burgers om op basis van grondrechten een verblijfsrecht in een lidstaat te kunnen claimen lijken vooralsnog beperkt te zijn tot situaties waarin sprake was van vrij verkeer en - maar uitzonderlijke - situaties waarin een Unieburger
de factoniet effectief gebruik kan maken van zijn rechten als Unieburger.”
Dereçi) ziet vooralsnog evenmin federalisering van het Handvest via het Unieburgerschap:
McCarthywees en die in de zetel zat in
Zambranoen
Dereçi- verwerpt extensieve toepassing van het Unieburgerschap op situaties zonder grensoverschrijdend aspect. Alleen in uitzonderlijke ‘ontnemings’-gevallen zoals
Ruiz Zambranokan het Unieburgerschap autonoom toegepast worden:
Ruiz Zambrano, McCarthyen
Dereçi; PJW] aims to respect the vertical allocation of powers set out in the Treaties. Had the ECJ followed a broad interpretation of the type of measures producing a ‘deprivation effect’, then the scope of the Treaty provisions on EU citizenship, notably the right to move enshrined in Article 21 TFEU, would have been excessively broadened so as to cover almost all types of situations. However, this is not the aim of EU citizenship as defined by the authors of the Treaties. Although EU citizenship is intended to be “the fundamental status of nationals of the Member States”, it “is [, however,] not intended to extend the scope
ratione materiaeof the Treaty also to internal situations which have no link with [EU] law”. [61] ”
Ruiz Zambrano(where the ECJ held that a cross-border link is no longer required in all circumstances to trigger the application of Article 20 TFEU), such an incorporation doctrine “à l’européenne” would mean that fundamental rights protection under EU law would operate in purely internal situation, i.e. similarly to national constitutions or the ECHR.
Dereciis, in my view, consistent with previous case law, notably ERT, where the ECJ held that: “where a Member State relies on [a legitimate aim recognised by EU law] in order to justify rules which are likely to obstruct the exercise of the freedom to provide services, such justification, provided for by [EU] law, must be interpreted in the light of the general principles of law and in particular of fundamental rights. (...). It is in the context of that principle [het proportionaliteitsbeginsel; PJW] that EU fundamental rights play an important role.”
acquis. For example, regarding EU citizenship, both article 20(2)(a) TFEU and Article 45(1) of the Charter provide that every citizen of the Union has ‘the right to move and reside freely within the territory of the Member States’. However, in accordance with Article 52(2) of the Charter, it is not article 45(1) of the Charter which determines the conditions for exercising such right, but Article 20(2)(a) TFEU. The same applies to all other rights attaching to the status of EU citizenship, laid down in Article 20 TFEU, which are also reproduced under Title V of the Charter.”
O. en S.(zie 8.7):
proprio motuverklaart dat de gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing is. (...). (...) nu het Unierecht van toepassing is op de onderhavige situaties, kan ook getoetst worden aan de art. 7 en Pro 24, tweede en derde lid van het Handvest. Toepassing van de grondrechten leidt niet tot ontzegging van de beoordelingsmarge van de lidstaten, maar onderzoek naar huisvesting, ziektekostenverzekering en inkomsten van de gezinshereniger moet plaatsvinden tegen de achtergrond van het recht op gezinsleven en regelmatig contact met beide ouders. Alle in het geding zijnde belangen dienen te worden meegewogen, en in het bijzonder moet rekening worden gehouden met het belang van de betrokken kinderen.”
11.Toepassing
Ruiz Zambrano).
García Avello [65] ) en het recht op vrijwaring tegen feitelijk gedwongen zijn het EU-grondgebied te verlaten (
Ruiz Zambrano). Uit de zaak
McCarthyblijkt dat de
García Avello-achtige soort gevallen betreft van belemmering van “hun recht [dat van de kinderen; PJW] om vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten”. Uit
Dereçiblijkt dat de
Ruiz Zambrano-achtige soort gevallen betreft “die erdoor gekenmerkt worden dat de burger van de Unie [het kind; PJW] feitelijk wordt verplicht om het grondgebied van niet alleen de lidstaat waarvan hij staatsburger is, maar ook dat van de Unie als geheel te verlaten” en dus alleen “uitzonderlijke” gevallen betreft waarin “de nuttige werking zou worden ontnomen aan het burgerschap van de Unie” van het kind. Uit de zaak
Iida(zie 8.6 hierboven) ten slotte blijkt dat “het louter hypothetische vooruitzicht van de uitoefening van het recht van vrij verkeer geen toereikende band met het Unierecht vormt om toepassing van de voorschriften ervan te rechtvaardigen.”
García Avello-categorie in casu niet relevant. Het gaat uitsluitend om de
Ruiz Zambrano-categorie.
nietuit zichzelf omvatten de Handvestrechten; die zijn immers pas van toepassing
alsen
nadataan dat ‘ontnemings’-criterium is voldaan, omdat pas de voldoening aan dat criterium de zaak binnen de werkingssfeer van het EU-recht zou brengen).
Dereçi). Ik wijs er in dit verband op dat (i) het de belanghebbende, die pas in juni 2009 een verblijfsrecht aanvroeg, vrij stond om dat recht eerder aan te vragen, (ii) art. 20 VwEU Pro niet rechtstreeks aan derdelanders rechten toekent, [67] zodat Nederland, hoezeer ook de verzorger van een afhankelijke Unieburger een afgeleid verblijfsrecht aan het EU-recht kan ontlenen, de bevoegdheid houdt procedurevoorschriften te stellen zoals het doen van een aanvraag, mits met eerbiediging van het Unierecht (uit een uitspraak van de ABRvS van 9 augustus 2013 [68] blijkt bijvoorbeeld dat Nederland een vreemdeling zoals de belanghebbende - met een afhankelijk kind van Nederlandse nationaliteit dat zich op het
Dereçi-criterium beroept - niet mag dwingen eerst een procedure voor een vergunning regulier voor onbepaalde tijd te volgen alvorens zich op art. 20 en Pro 21 VwEU te kunnen beroepen, omdat art. 9 Vw Pro 2000 beter aansluit bij de situatie van een vreemdeling die stelt aan het
Dereçi-criterium te voldoen en dus een betere EU-rechtconforme toepassing van nationaal recht is), (iii) de ABRvS leert [69] dat als een derdelander zonder geldige verblijfstitel beroep kan doen op hulp en ondersteuning - bijvoorbeeld van de COA of de gemeente, bijvoorbeeld op basis van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 - van die derdelander mag worden verwacht dat hij van die mogelijkheid gebruik maakt als daarmee kan worden voorkomen dat een Unieburger (het kind) feitelijk zou worden genoopt het grondgebied van de Unie te verlaten en (iv) tegen Dereçi twee jaar nadat hij een verblijfsvergunning had aangevraagd een uitzettingsbevel werd uitgevaardigd en dat de autoriteiten ook jegens McCarthy optraden nadat hij een verblijfstitel had aangevraagd, terwijl de Nederlandse autoriteiten juist het omgekeerde hebben gedaan in belanghebbendes geval: zij hebben juist de belanghebbende - en haar zoon - financieel ondersteund en juist géén op verwijdering gerichte actie tegen haar ondernomen naar aanleiding van haar aanvraag van een verblijfsrecht.
Dereçi-criterium niet is voldaan, wordt de werkingssfeer van het EU-recht niet betreden, nog daargelaten dat het Handvest officieel pas op 1 december 2009 tot primair EU-recht is verheven. [70] Ten overvloede zijn daarom mijn opmerkingen dat (i) de weigering van kinderbijslag aan c.q. het ontbreken van een verblijfstitel van de belanghebbende in 2008-2009 mijns inziens, mede gezien de rechtspraak van het EHRM over art. 8 EVRM Pro [71] en de steun van overheidswege die belanghebbendes zoon heeft ontvangen, geen EU-grondrechtelijk verwijtbare verwaarlozing inhield van Nederlands verantwoordelijkheid jegens zich op zijn grondgebied bevindende Nederlandse kinderen, met name niet ter zake van hun recht op gezinsleven en (ii) dat de vastgestelde feiten mijns inziens geen andere conclusie toelaten dan dat de Staat c.q. de gemeente niet te weinig gedaan hebben om de belangen van de zoon te dienen.
12.Beoordeling van de cassatieberoepen
Ruiz Zambrano, Dereçien
Zu en Chenen gaat zij bij verweer uitgebreid in op het (afgeleide) EU-verblijfsrecht. De belanghebbende wil kennelijk de kinderbijslag en het verblijfsrecht ontkoppelen (de Koppelingswet dus afkoppelen als het ware), maar geen regel van intern, volken- of EU-recht biedt daarvoor steun - mede gezien uw in 7.1 geciteerde arrest HR BNB 2013/31 - en die beoogde ontkoppeling is mijns inziens EU-rechtelijk niet in haar belang, nu, zoals boven bleek, het enige dat haar recht op kinderbijslag mijns inziens eventueel kan verzekeren, is een verblijfsrecht ontleend aan het Unieburgerschap van haar zoon.
Dereçi-effect voordoet).
Ruiz Zambrano, McCarthyen
Dereçi, zodat de belanghebbende aan het Unieburgerschap van haar zoon geen verblijfsrecht voor de periode 2008-2009 kan ontlenen en dus evenmin de status van AKW-verzekerde, zodat de uitspraken van de Rechtbank niet vernietigd, maar bevestigd hadden moeten worden.