ECLI:NL:PHR:2013:860
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over strijdigheid bedrijfsopvolgingsfaciliteit met internationaal gelijkheidsbeginsel
Deze zaak betreft het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland over de toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) in de Successiewet 1956. De kernvraag is of het internationaal verankerde gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod vereisen dat ook particuliere verkrijgingen krachtens erfrecht of schenking, die geen ondernemingsvermogen betreffen, moeten delen in de gefacilieerde behandeling die de BOF biedt voor ondernemingsvermogen.
Belanghebbende erfde geen ondernemingsvermogen, waardoor zij volgens de nationale wetgeving geen recht heeft op de BOF-vrijstelling. Indien zij wel ondernemingsvermogen had verkregen, zou een deel van haar verkrijging volledig of grotendeels vrijgesteld zijn geweest. Dit leidt tot ongelijke wettelijke behandeling. De advocaat-generaal betoogt dat deze ongelijke behandeling van gelijke gevallen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en dat rechtsherstel moet plaatsvinden door ook voor niet-ondernemingsvermogen een vrijstelling toe te kennen tot het niveau van 75% van het ondernemingsvermogen.
De rechtbank oordeelde dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat het onderscheid tussen ondernemings- en privévermogen objectief en redelijk gerechtvaardigd is vanwege het voorkomen van liquiditeitsproblemen bij bedrijfsopvolging. De rechtbank verwierp het beroep van belanghebbende. De advocaat-generaal twijfelt echter aan de juistheid en zuiverheid van de BOF-uitwerkingen, vooral gezien de voortdurende uitbreiding van de faciliteit en de omvang van de vrijstellingen boven 75%.
De conclusie is dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond moet worden verklaard en dat rechtsherstel moet worden verleend voor het deel van de vrijstelling dat de 75% overschrijdt. Het vierde middel over de schending van het eigendomsrecht wordt verworpen omdat de belastingheffing niet excessief is. De zaak heeft grote fiscale en maatschappelijke betekenis vanwege de mogelijke financiële gevolgen voor vele belastingplichtigen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard en belanghebbende krijgt rechtsherstel in de vorm van een extra vrijstelling op grond van het gelijkheidsbeginsel.