ECLI:NL:PHR:2013:BY6754
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over extinctieve verjaring en ondubbelzinnig bezit van grondstrook naast woning
Eiseres huurde vanaf juli 1983 een woning met tuin, inclusief een strook grond die volgens het kadaster eigendom was van de Gemeente. Zij gebruikte deze strook als onderdeel van haar tuin en stelde dat zij door meer dan twintig jaar bezit te hebben, op grond van extinctieve verjaring eigendom had verkregen. De rechtbank wees haar vordering af en het hof bekrachtigde dit oordeel. Het hof stelde dat eiseres nooit ondubbelzinnig bezit had gehad, omdat het gebruik van de strook niet duidelijk afweek van het gebruik krachtens huur en de Gemeente daardoor geen aanleiding had om eigendomspretenties te vermoeden.
In cassatie werd betoogd dat het hof ten onrechte niet had vastgesteld of de Gemeente op de hoogte was van de huurovereenkomst, wat relevant zou zijn voor het bezit. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof terecht was uitgegaan van een objectieve verkeersopvatting en niet van de subjectieve kennis van de Gemeente. Tevens werd geoordeeld dat het hof niet hoefde in te gaan op het subsidiaire standpunt dat de Woningstichting mogelijk bezitter was geweest, omdat dit onvoldoende was onderbouwd.
De Hoge Raad bevestigde dat voor verkrijging door extinctieve verjaring vereist is dat het bezit ondubbelzinnig is en dat feitelijke machtsuitoefening moet wijzen op een pretentie van eigendom. Het enkele gebruik van de grondstrook als onderdeel van de tuin, zonder duidelijke eigendomspretentie, volstaat niet. De conclusie van de Advocaat-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat eiseres geen eigendom heeft verkregen door extinctieve verjaring wegens ontbreken van ondubbelzinnig bezit.