ECLI:NL:PHR:2013:BZ1901
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt inhoudingsplicht loonbelasting ondanks Belgische gemeentelijke opcentiemen
De zaak betreft een Belgische vennootschap waarvan de directeur-aandeelhouder (DGA) werkzaamheden verricht in Nederland en België. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag loonbelasting op omdat geen aangifte was gedaan over januari 2007. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de DGA als werknemer moet worden aangemerkt waarvoor loonbelasting ingehouden moet worden.
Belanghebbende beriep zich op artikel 2, lid 5, van de Wet LB 1964, dat inhoudingsplicht uitsluit indien het loon feitelijk is belast door een andere mogendheid. De DGA betaalt in België gemeentelijke opcentiemen, een aanvullende belasting op de personenbelasting. De Hoge Raad bevestigt dat deze opcentiemen weliswaar een belasting naar het inkomen zijn, maar niet door een andere mogendheid worden geheven omdat het een gemeentelijke heffing betreft die door de Belgische staat wordt geïnd.
De Hoge Raad volgt daarmee het oordeel van het Hof dat de DGA een werknemer is in de zin van de Wet LB 1964 en dat de vennootschap inhoudingsplichtig is. Ook de stelling dat belanghebbende niet nalatig was in het niet doen van aangifte faalt, omdat de Inspecteur duidelijk heeft gemaakt dat aangifte vereist was. De Hoge Raad verklaart de cassatiemiddelen ongegrond en bevestigt de inhoudingsplicht en naheffingsaanslag.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de DGA inhoudingsplichtig is voor loonbelasting ondanks betaling van Belgische gemeentelijke opcentiemen.