ECLI:NL:PHR:2013:BZ9951
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aanvang verjaringstermijn vernietigingsbevoegdheid bij huurprijsaanpassingsbeding in huurovereenkomst bedrijfsruimte
Deze zaak betreft de uitleg van het aanvangsmoment van de verjaringstermijn van artikel 3:52 lid 1 sub d BW Pro bij het beroep op vernietigbaarheid van een beding in een huurovereenkomst voor bedrijfsruimte. De huurovereenkomst bevatte een beding dat de mogelijkheid tot tussentijdse huurprijsaanpassing uitsloot, wat in strijd was met het dwingend recht van artikel 7:303 BW Pro.
Het hof Amsterdam had geoordeeld dat de verjaringstermijn pas begint te lopen wanneer de verhuurder een beroep doet op het afwijkende beding. Dit beschermt de huurder tegen het verlies van zijn vernietigingsrecht door stilzitten gedurende de looptijd van het contract. Stern stelde cassatie in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad bevestigt dat het dwingend karakter van het huurrecht en de beschermingsgedachte voor huurders van middenstandsbedrijfsruimten rechtvaardigen dat de verjaringstermijn pas begint te lopen zodra de huurder geconfronteerd wordt met een beroep op het beding. Dit sluit aan bij de regeling in het arbeidsrecht en het recht van algemene voorwaarden. De Hoge Raad verwerpt de stelling dat de verjaringstermijn al bij het sluiten van de overeenkomst begint.
De uitspraak benadrukt dat de verjaringstermijn bedoeld is om een redelijke balans te vinden tussen de belangen van partijen en dat een te vroege aanvang de huurder zou benadelen. De bescherming geldt voor alle huurders van 290-bedrijfsruimte, ongeacht hun sociaal-economische positie. De verjaringstermijn van drie jaar vangt aan na het moment waarop de bevoegdheid tot vernietiging aan de huurder ten dienste is komen te staan, namelijk bij het beroep van de verhuurder op het beding.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verjaringstermijn voor het beroep op vernietiging van een huurbeding begint te lopen vanaf het moment dat de verhuurder een beroep op het beding doet.