[Betrokkene 1] wordt gebeld door [verdachte]
[Betrokkene 1] = [betrokkene 1], [verdachte] = [verdachte].
[Betrokkene 1]: Hallo.
[Verdachte]: [B].
[Betrokkene 1]: Eeeeh?
[Verdachte]: Je moet alle telefoon van je uitzetten.
[Betrokkene 1]: Oke.
[Verdachte]: [B].
[Betrokkene 1]: Eeeeh?
[Verdachte]: Je moet naar me luisteren.
[Betrokkene 1]: Eeeeh.
[Verdachte]: Ze waren bij mijn woning geweest.
[Betrokkene 1]: Ja.
[Verdachte]: Je moet alle dingen uitzetten, eeeh?
[Betrokkene 1]: Eeeeh?
[Verdachte]: [B].
[Betrokkene 1]: Eeeeh?
[Verdachte]: Luister je naar me. Hoor je me?
[Betrokkene 1]: Ja.
[Verdachte]: Je moet alle dingen uitzetten.
[Betrokkene 1]: Ja.
[Verdachte]: Ze waren bij mijn woning gekomen.
[Betrokkene 1]: Hebben ze de dingen in beslag genomen?
[Verdachte]: Ongeveer tien (10) waren bij mijn woning gekomen. Ongeveer tien van de mensen waren bij mijn woning gekomen.
[Betrokkene 1]: Eeeeh.
[Verdachte]: Ze kenden jouw naam, ze kenden jouw naam, de naam van jouw broer en alle mensen namen. Ze hebben ook mijn telefoon in beslag genomen, baby.
[Betrokkene 1]: Ja. Hebben ze alle de telefoons in beslag genomen?
[Verdachte]: Ja, ze hebben alles in beslag genomen, ook mijn eigen telefoon, ook mijn computer. [B], ze hebben mijn computer in beslag genomen. Ze hebben alles dingen in beslag genomen.
[Betrokkene 1]: Ja. Ze zijn gek.
[Verdachte]: Eeeeh?
[Betrokkene 1]: Ze zijn echt gek. Ze hebben mijn broer gepakt.
[Verdachte]: Wordt hij al gepakt.
[Betrokkene 1]: Ja.
[Verdachte]: Ja, gisteren. [B], ik heb geluk dat ik niet had gelogen. Ik ben echt serieus. Ze wilden ook me oppakken. Ik ben echt serieus, baby. Ik loog niet.
[Betrokkene 1]: Eeeeh.
[Verdachte]: Ze hebben me vele dingen gevraagd. [B], alstublieft, Graag moet je ergens weggaan. Eeeeh.
[Betrokkene 1]: Wat had je hun verteld?
[Verdachte]: Ik zei dat ik jullie kende op straat bij de grand café. Ze vroegen waarom ik jouw dingen had meegenomen. Ik antwoordde dat ik niet weet. Begrijp je me? Ik antwoordde nog dat ik niet wist wie de dingen hebben gebracht.
[Betrokkene 1]: Ze vroeg wie de telefoons heeft?
[Verdachte]: Eeeeh?
[Betrokkene 1]: Had je hun verteld wie de telefoons heeft?
[Verdachte]: Ik antwoordde dat ik weet niet en dat iemand de telefoons heeft gebracht. Je vroeg wie.... Ze hebben mijn telefoon meegenomen en ze hebben alle jouw nummers van mijn telefoon gekregen. Ze vroegen waar je bent. Ze noemden je naam. Ik zei dat ik jouw naam niet kende. Ze vroegen of ik de namen kende. Ik antwoordde dat ik de namen niet kende. Ze noemden jouw broer naam. Ik antwoordde dat die misschien de naam is. En dat ik precies de namen niet kent. Ze noemden je naam.
[Betrokkene 1]: Heb je hun verteld wie de telefoons heeft.
[Verdachte]: Ze hadden niet gevraagd, maar ze vroegen wie de telefoon heeft gebracht bij me. Ik heb hun verteld omdat de jongen vroeg of iemand afgelopen nacht iets heeft gebracht bij me? Ze vroegen eerst of ik iets in de woning heeft. Ze hebben mijn hele woning nauwkeurig onderzocht. Ze waren ongeveer tien mensen. Ze vroegen....
[Betrokkene 1]: Ze volgden misschien mijn broer gisteren.
[Verdachte]: Ze zeiden.
[Betrokkene 1]: Je hoeft niets hun te zeggen dat ik de eigenaar van de telefoon is. Je moet hun zeggen dat iemand de telefoon daar achterlaten.
[Verdachte]: [B], ze vroegen naar me of iemand gisterennacht iets heeft gebracht naar me?
[Betrokkene 1]: Eeeeh.
[Verdachte]: Ik wilde liegen, maar ik keek op de manier die de man rechtstreeks aan mijn keek. Ik had meteen de waarheid verteld. Ik antwoordde ja. Ik had niet gelogen, daarom was ik niet gepakt.
[Betrokkene 1]: Ze hadden je gevraagd wat er is toch?
[Verdachte]: Eeeeh? Ze vroegen wat het ding was. Ik antwoordde dat ik niet weet. Ze begonnen het onderzoeken en ze vroegen of dat het ding was. Ik antwoordde ja. En dat ik wist niet wat erin lag in de tas. Feitelijk wist ik niet wat erin in de tas lag.
[Betrokkene 1]: Eeeeh.
[Verdachte]: Begrijp je me wat ik bedoel?
[Betrokkene 1]: Eeeh.
[Verdachte]: Ik zei tegen hun dat ik wist niet wat erin lag. En dat ik werd gevraagd om het ding te bewaren. Ik zei dat ik verder niks weet. Ze vroegen of ik andere tijd ......
[Betrokkene 1]: Heb je [betrokkene 3] gezien?
[Verdachte]: Eeeeh?
[Betrokkene 1]: heb je [betrokkene 3] gezien?
[Verdachte]: Wat is dat?
[Betrokkene 1]: Ik vroeg of je [betrokkene 3] heb gezien?
[Verdachte]: Nee. Ze vroegen ook wie hij is. Ik zei dat hij een snorder man is. Ze vroegen ook voor zijn auto. Ze noemden je naam. Ze hebben jouw foto in woning in beslag genomen. Ze vroegen of die de man is. Ik zei dat die de man is die ik ken.
[Betrokkene 1] lacht.
[Verdachte]: Ik zei dat je een (1) van mijn schatjes bent.
[Betrokkene 1]: Ze hebben alles gezien in mijn woning.
[Verdachte]: Ze hadden me verteld. Ze vroegen wie [betrokkene 1] is. Ik zei dat ik niet weet. Ze vroegen wie 'B' in mijn telefoon. Ik zei dat die mijn baby is en dat die niet mijn vriend. Ze vroegen of je mijn vriend bent. De antwoordde nee en dat je mijn lover bent.