ECLI:NL:PHR:2013:CA3748
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap en belastingschuld bij naheffingsaanslag
Partijen zijn gewezen echtelieden die gehuwd waren in gemeenschap van goederen. Na hun echtscheiding ontstond een geschil over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, waarbij met name de vraag speelde of bepaalde schulden, waaronder een naheffingsaanslag omzetbelasting en leningen, tot de gemeenschap behoorden en hoe deze verdeeld moesten worden.
De man stelde dat diverse schulden tot de gemeenschap behoorden en dat deze bij de verdeling moesten worden betrokken. De vrouw betwistte dit en stelde onder meer dat zij niet betrokken was geweest bij het overleg met de belastingdienst en dat sommige schulden al waren afgelost. Het hof oordeelde dat een deel van de belastingschuld in de gemeenschap viel, maar dat de man deze schulden geheel moest dragen omdat hij de vrouw niet had betrokken bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst met de belastingdienst.
De Hoge Raad benadrukte dat afwijking van de hoofdregel van gelijke verdeling slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mogelijk is, waarbij het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet zijn dat een partij zich op verdeling bij helfte beroept. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof omdat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom dit geval als zeer uitzonderlijk moest worden beschouwd. Tevens werd geoordeeld dat voor de verdeling de materiële belastingschuld en niet de formele aanslagdatum bepalend is.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat de man onvoldoende had onderbouwd dat de leningen nog bestonden op de peildatum en dat de vrouw terecht had gesteld dat deze leningen waren afgelost. Het hof mocht dit daarom ten nadele van de man beoordelen. De zaak werd terugverwezen voor verdere behandeling.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof en verwijst zaak terug voor nieuwe beoordeling van verdeling huwelijksgoederengemeenschap.