ECLI:NL:PHR:2014:1378
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt veroordeling wegens onvoldoende bewijs opzet versnijden drugs met poedermengsels
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van het opzettelijk bewerken van heroïne en cocaïne. Verdachte had grote hoeveelheden poedermengsels van paracetamol, cafeïne en fenacetine bij zich, stoffen die vaak als versnijdingsmiddelen voor drugs worden gebruikt.
Het hof oordeelde dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat deze stoffen een illegale bestemming hadden, mede gelet op de wijze van transport en de omstandigheden waaronder verdachte handelde. Verdachte had verklaard dat hij al voor zijn aanhouding op het vliegveld begreep dat hij een fout had gemaakt en zich ongemakkelijk voelde.
De Hoge Raad vernietigt het arrest omdat het hof onvoldoende heeft bewezen dat verdachte wist dat de stoffen bestemd waren voor het voorbereiden of bevorderen van het versnijden van heroïne en cocaïne. De Hoge Raad benadrukt dat voor het delict van art. 10a Opiumwet niet alleen kennis van de criminele bestemming vereist is, maar ook opzet op het voorbereiden of bevorderen van het delict. Globaal opzet volstaat niet, er moet een concreet misdadig doel zijn.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin werd geoordeeld dat het opzet moet zijn gericht op een concreet strafbaar doel en dat het voorhanden hebben van legale voorwerpen met een criminele bestemming hoge eisen aan het opzet stelt. De redelijke termijn is niet overschreden. De uitspraak wordt vernietigd en terugverwezen voor een nieuwe beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van opzet op voorbereiding van het versnijden van drugs.