Conclusie
eerste middelhoudt in dat het wederrechtelijk verkregen voordeel niet kan voortvloeien uit de gebezigde bewijsmiddelen en dat het hof zulks op onjuiste wijze heeft trachten te corrigeren in de aanvulling op de verkorte uitspraak.
overigegekochte goederen zou zijn. Abusievelijk is echter in het bedrag van € 1.425,80 eveneens het aankoopbedrag van voorbedoelde camera opgenomen. Het voordeel uit dit zaaksfeit had geschat moeten worden op:
€ 8.572,10.”
Verplichting tot betaling aan de StaatHet hof is van oordeel dat aan de veroordeelde in beginsel, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting dient te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag overeenkomstig het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, te weten € 8.690. Het hof is evenwel van oordeel dat de redelijke termijn voor de behandeling van de ontnemingszaak is overschreden. Immers, is het vonnis waarvan beroep op 4 juli 2008 gewezen, zijnde een tijdstip gelegen meer dan twee jaar na de betekening in persoon aan de veroordeelde van de ontnemingsvordering op 18 mei 2006, zodat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste aanleg is overschreden. Nadat dit vonnis is gewezen zijn wederom meer dan twee jaar verstreken tot het hof bij onderhavig arrest einduitspraak doet op het hoger beroep. Het hof zal, nu dit hem redelijk voorkomt, deze overschrijding compenseren door de betalingsverplichting aan de Staat vast te stellen op een bedrag tien procent lager dan het geschatte voordeel te weten op –afgerond- € 7.800.”
tweede middelklaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase.