Conclusie
pro sealsmede in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige kind [de dochter] [1]
limited scleroderma, passend bij Crest, (ook wel genoemd systemische sclerose) met digitale ulcera. [de dochter] staat hiervoor onder behandeling van [betrokkene], die als kinderarts-immunoloog aan het UMC te Utrecht is verbonden.
Omschrijving
2.Inleidende opmerkingen
“een tussen een zorgverzekeraar en een verzekeringnemer ten behoeve van een verzekeringsplichtige gesloten schadeverzekering, die voldoet aan hetgeen daarover bij of krachtens deze wet is geregeld,en waarvan de verzekerde prestaties het bij of krachtens deze wet geregelde niet te boven gaan”(onderstreping toegevoegd; LK). Art. 11 lid 1 Zvw Pro vult de zorgplicht van de zorgverzekeraar jegens zijn verzekerden aldus in dat de verzekerde bij wie het verzekerde risico zich voordoet, krachtens de zorgverzekering recht heeft op de zorg of de overige diensten waaraan hij behoefte heeft, dan wel op vergoeding van de kosten daarvan. Volgens art. 11 lid 3 Zvw Pro worden de inhoud en omvang van de in het eerste lid bedoelde prestaties nader geregeld bij amvb; die amvb is het Bzv. In die amvb kan volgens art. 11 lid Pro 4, aanhef en onder b, Zvw worden bepaald dat de inhoud en omvang van de prestaties, onder meer bestaande uit zorg zoals bedoeld in art. 10, aanhef en onder c, Zvw (farmaceutische zorg), nader worden geregeld bij ministeriële regeling.
Conclusie
allezorgvormen betrekking heeft [7] . Het criterium heeft echter een complementair karakter ten opzichte van de wettelijke regeling (naar luid van het tweede lid worden inhoud en omvang van de - in de art. 2.4-2.15 omschreven - vormen van zorg of diensten
“mede”bepaald door het bedoelde criterium). In welke mate omvang en inhoud van de betrokken verzekeringsprestatie door het criterium worden bepaald, hangt af van de mate van detaillering van de wettelijke omschrijving; in die zin vormen de wettelijke omschrijving en het bedoelde criterium communicerende vaten [8] . Punten waarover de wetgever heeft beslist, zijn aan een toetsing aan de hand van het criterium onttrokken [9] .
contra legem-werking aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur toekende. Zo is door de belastingrechter reeds lang aanvaard dat onder omstandigheden strikte toepassing van de wet, waaruit de belastingschuld rechtstreeks voortvloeit, in die mate in strijd kan komen met één of meer beginselen van behoorlijk bestuur, dat die toepassing achterwege moet blijven [13] . Ook de CRvB zelf heeft in eerdere uitspraken reeds een vergelijkbare gedachtelijn gevolgd [14] . De desbetreffende rechtspraak van de CRvB over verstrekkingen ingevolge de Ziekenfondswet heeft in de Zvw géén neerslag gevonden.
Stcrt.1996, 46) welbewust de overweging is gemaakt om de mucolytica (slijmoplossende middelen) uit het pakket te halen wegens niet wetenschappelijk aangetoonde effectiviteit. Voor acetylcysteïne is destijds een uitzondering gemaakt, echter niet vanwege de slijmoplossing, maar enkel omdat er aanwijzingen waren dat het middel vanwege een antioxidatieve werking zinvol kon zijn bij gebruik bij COPD-patiënten. Wat er ook valt te zeggen over de zorginhoudelijke kant van de zaak, de strekking van de uitspraak van de rechtbank Den Haag brengt, wanneer deze navolging krijgt, het risico met zich mee van een vrij willekeurige en onvoorspelbare doorbreking van het limitatieve verstrekkingssysteem. Wanneer dit op grotere schaal zou gaan gebeuren, kan dit gevolgen hebben voor de beheersbaarheid van de kosten en op de lange duur daarmee voor de toegankelijkheid van de zorg.”
contra legemverstrekken van geneesmiddelen of hulpmiddelen buiten het verstrekkingenpakket in een privaatrechtelijke context niet zonder meer toepasbaar is [16] . Dat laatste ligt ook voor de hand. Die rechtspraak steunde immers op de onderworpenheid van de (destijds) bestuursrechtelijke besluiten tot verstrekking aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaraan (zij het onder uitzonderlijke omstandigheden) ook
contra legem-werking kan toekomen. In de huidige privaatrechtelijke verhouding tussen zorgverzekeraar en verzekerde is van besluiten tot verstrekking geen sprake; evenmin spelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (en de eventuele
contra legem-werking daarvan) daarin een rol.
“de gegeven omstandigheden”bepalend te achten [24] .
nietals een verzekerde prestatie op grond van de Zvw is te beschouwen, omdat zij niet voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk (vergelijk art. 2.4 lid 1 Bzv jo art. 2.1 lid 2 Bzv), niettemin op grond van art. 6:248 lid 2 BW Pro diende te worden verstrekt of vergoed. Uit het bindend advies blijkt echter niet of de commissie zich überhaupt rekenschap heeft gegeven van het arrest van de Hoge Raad van 9 juni 2006 en van de zware eisen die aan derogerende werking met betrekking tot dwingende wetsbepalingen gelden en, zo ja, wat het oordeel van de commissie dienaangaande is [26] . Twijfelachtig is voorts, of de commissie daadwerkelijk toepassing heeft gegeven aan het criterium
“naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar”; de commissie oordeelde (in het bindend advies onder 7.13)
“dat deze ingreep in redelijkheid niet onthouden kan worden aan deze groep van patiënten” [27] . Opmerkelijk zijn ook de gronden waarop de commissie tot haar oordeel kwam. Na te hebben vooropgesteld dat het plaatsen van een tweede cochleair implantaat in belangrijke mate aan het (voor de ontwikkeling van een kind van belang zijnde) spraakverstaan in een rumoerige omgeving en richtinghoren kan bijdragen, overwoog de commissie:
allejonge verzekerden die lijden aan systemische sclerose en aanhoudende digitale ulcera en bij andere middelen ter voorkoming van nieuwe digitale ulcera geen baat vinden, hoe klein die patiëntengroep op zichzelf ook is. Naar de kern genomen komt het vonnis van de voorzieningenrechter erop neer dat de voor verstrekking c.q. vergoeding van bosentan voor de betrokken indicatie gestelde leeftijdsgrens niet houdbaar is. De mogelijkheden van de burgerlijke rechter zijn in dat verband niet onbeperkt. De burgerlijke rechter kan tot de conclusie komen dat bepaalde wetgeving onverbindend is en daaraan de nodige gevolgen verbinden. De rechter kan, bij onmiskenbare onverbindendheid, (in kort geding) ook de buitenwerkingstelling als een in algemene termen vervat verbod van uitvoering van de betrokken wetgeving uitspreken [28] . Daartoe strekkende acties dienen echter tegen de overheid en niet tegen andere bij die uitvoering betrokken justitiabelen te worden gericht. In verband met dit laatste wijs ik erop dat het betrokken voorschrift niet alleen de verzekerde benadeelt, maar ook nadelige consequenties voor de zorgverzekeraar heeft, indien deze het geneesmiddel in strijd met dat voorschrift verstrekt c.q. vergoedt. Door derogerende werking aan te nemen, wordt het probleem dat de desbetreffende wetgeving mogelijk aankleeft, eenzijdig bij de zorgverzekeraar gelegd, nu de autoriteiten met wie de zorgverzekeraar van doen heeft, niet zonder meer aan een uitspraak tussen de zorgverzekeraar en zijn verzekerde zijn gebonden.
contra legem-correctie van de toepassing daarvan zou laten. Aangenomen dat de toepassing van de bij en krachtens de Zvw gestelde dekkingsbepalingen zich niet voor correctie met behulp van de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid leent, betekent dit dat de rechtsbescherming tegen een in incidentele gevallen ongewenste toepassing van op zichzelf
verbindendewetsbepalingen onder het bestuursrechtelijke regime van de Ziekenfondswet groter was dan onder het huidige privaatrechtelijke regime van de Zvw. Dat de rechtsbescherming van de verzekerde in die zin is verminderd, is ongewenst. Tenzij men zijn toevlucht zou willen zoeken tot gewrongen constructies, lijkt interventie van de wetgever om dat verlies aan rechtsbescherming ongedaan te maken hier echter onmisbaar. In die zin ook De Groot [29] :
contra legem-leer van de CRvB kan, in aangepaste vorm, eigenlijk niet gemist worden. Er is daarom aanleiding de verzekerde tevens recht te bieden op
anderedan de verzekerde vormen van zorg, wanneer deze zorg binnen de beroepsgroep wordt gezien als een professioneel juiste handelwijze, de verzekerde op die zorg aangewezen is en het onthouden daarvan vanwege uitzonderlijke omstandigheden een bijzondere hardheid zou betekenen. Wettelijke regeling is nodig; de formulering verdient zorgvuldige overweging. In beginsel horen immers de weloverwogen grenzen van de verzekeringsdekking te worden gerespecteerd. Gewrongen constructies zijn daarna niet meer nodig om met zeer bijzondere (individuele) omstandigheden rekening te houden; de verzekerde heeft er ook recht op dat dat gebeurt.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep
“klachten”), waarvan onderdeel 1 in vier subonderdelen (a-d) uiteenvalt. De klachten van onderdeel 1 zijn gericht tegen de rov. 4.3 en 4.4:
principieeluitsluit, omdat die omschrijving de grenzen bepaalt waarbinnen de verzekeraar bereid is dekking te verlenen. Uit het arrest blijkt naar mijn mening niet dat de Hoge Raad derogerende werking slechts in het hem voorgelegde geval zou hebben afgewezen, omdat hetgeen daartoe was aangevoerd (te weten dat de ratio van de litigieuze uitsluiting van dekking in het concrete geval ontbrak), van onvoldoende gewicht zou zijn. Overigens laat zich moeilijk denken dat derogerende werking, in het geval dat de Hoge Raad haar niet principieel zou hebben uitgesloten, niet (althans niet mede) zou kunnen worden gedragen door de omstandigheid dat de litigieuze uitsluiting van dekking in het concrete geval de door de verzekeraar beoogde ratio mist, maar onder omstandigheden mogelijk zou zijn, als de door de verzekeraar beoogde ratio juist wél in het geding is.
“denaturering”van de overeenkomst mag leiden. Valk noemt in dat verband (onder verwijzing naar het arrest van 9 juni 2006) de uitbreiding van de dekking van de verzekering buiten de primaire dekkingsomschrijving als voorbeeld, naast het van toepassing worden van algemene voorwaarden die in de rechtsverhouding tussen partijen niet van toepassing zijn [32] . Los daarvan meen ik dat de omstandigheid dat dwingend recht het betrokken rechtsgevolg van de overeenkomst beheerst, niet tot een
verruimingmaar juist tot een (verdere)
verengingvan de mogelijkheid van beperkende werking leidt. Weliswaar is reeds bij de totstandbrenging van het huidige BW niet uitgesloten dat redelijkheid en billijkheid ook een dwingende wetsbepaling kunnen corrigeren [33] , maar voor derogering aan dwingend recht gelden hoe dan ook (extra) zware eisen [34] .
privaatrechtelijkeverzekeringsovereenkomst
in beginselniet door de maatstaven van redelijkheid en billijkheid kan worden opzijgezet of opgerekt. Ik acht het subonderdeel gegrond, voor zover de voorzieningenrechter (blijkens de woorden
“in beginsel”) het principiële (en geen ruimte voor uitzonderingen latende) karakter van de uitsluiting van derogerende werking met betrekking tot de omschrijving van de primaire dekking heeft miskend en voor zover de voorzieningenrechter (blijkens de woorden
“privaatrechtelijke overeenkomst”) de in het arrest van 9 juni 2006 vervatte beslissing niet onverkort van toepassing heeft geacht op verzekeringen waarvan de (omvang van de) dekking (uiteindelijk) dwingend door publiekrechtelijke regelgeving is bepaald.
“toepassing van een (…) uitzonderingsmogelijkheid”en van onder vigeur van de Zvw bestaande
“ruimte (…) voor uitzonderingen onder zeer bijzondere (medisch ernstig bedreigende) omstandigheden”, zonder dat daarbij een concreet verband wordt gelegd met (de bestanddelen en formuleringen van) art. 6:248 lid 2 BW Pro.
“Hoewel er geen gecontroleerd en gerandomiseerd onderzoek is verricht, is het onderzoek dat wél is verricht uitsluitend positief gebleken. Ook is de effectiviteit in het individuele geval van appellante naar het oordeel van de Raad voldoende gebleken. De Raad verwijst hiervoor naar de verschillende, zich onder de gedingstukken bevindende, verklaringen van dr. Mekkes.”). Die uitbreiding c.q. verfijning van het criterium onder (iii) laat onverlet dat de CRvB de criteria onder (i) en (ii) (medisch ernstig bedreigende situatie en geen adequaat alternatief) ook in de uitspraak van 27 augustus 2008 onverkort heeft toegepast.
“opzijgezet of opgerekt”(derogerende en aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid). Slechts omdat de privaatrechtelijk vormgegeven zorgverzekering is
“ingebed in het publieke domein”en in wezen dwingendrechtelijke bepalingen de omvang van de verzekering bepalen, heeft de voorzieningenrechter niettemin ruimte gezien voor
“een soortgelijke uitzonderingsmogelijkheid”als die welke door de CRvB werd toegepast met betrekking tot de eveneens in het publieke domein ingebedde ziekenfondsverzekering, waarvan de dekkingsomvang evenzeer dwingend door de wet werd bepaald. Als het al juist zou zijn dat de zorgverzekering onder de Zvw in verband met de publiekrechtelijke regeling van de dekkingsomvang zozeer met de voormalige ziekenfondsverzekering overeenstemt dat ook voor de zorgverzekering een mogelijkheid van correctie van de dekkingsomvang, gelijk aan die welke de bestuursrechter (de CRvB) onder vigeur van de Ziekenfondswet heeft ontwikkeld, moet worden aanvaard, ligt het voor de hand dat die correctiemogelijkheid aan dezelfde criteria is onderworpen als (en niet verder kan strekken dan) de onder vigeur van de Ziekenfondswet door de CRvB toegepaste correctiemogelijkheid. Ook de Geschillencommissie Zorgverzekeringen is daarvan in het (door de voorzieningenrechter in rov. 4.3, slot, genoemde) bindende advies uitgegaan [35] :
a prioriwordt beperkt door de voorwaarden die zich uit de hiervoor bedoelde rechtspraak van de CRvB laten afleiden, vormen de bedoelde omstandigheden weliswaar sterke argumenten om aan de uitsluiting van verstrekking c.q. vergoeding vast te houden, maar is daarmee nog niet gegeven dat zij bij voorbaat boven alle andere (mogelijk denkbare) omstandigheden van het geval prevaleren. Of derogerende werking van redelijkheid en billijkheid dient te worden aangenomen, hangt immers af van
alleomstandigheden van het geval (
“de gegeven omstandigheden”; art. 6:248 lid 2 BW Pro).
nietzou hebben miskend. De voorzieningenrechter is kennelijk niet van de door subonderdeel 1c verdedigde rechtsopvatting uitgegaan; evenmin heeft de voorzieningrechter bedoeld de door subonderdeel 1c genoemde stellingen te verwerpen. Al om die reden kan het subonderdeel niet tot cassatie leiden.
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het voorwaardelijke incidentele beroep
“dat de redenen waarom de verzekeraar dit soort evenementen niet wil verzekeren zich in het concrete geval niet voordoen”.
a priorivaststaande beperkingen behelst. Het onderscheid tussen de beperkende dan wel de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid is daarbij volgens het onderdeel overigens niet van doorslaggevend belang. Indien een verzekerde op grond van de wettelijk geregelde zorgverzekeringsovereenkomst aanspraak maakt op de verstrekking of vergoeding van een geneesmiddel, terwijl niet is voldaan aan de daarvoor krachtens de zorgverzekeringsovereenkomst geldende voorwaarden, is het onderscheid tussen de aanvullende respectievelijk beperkende werking van de redelijkheid en de billijkheid moeilijk te maken. Vanuit de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid geredeneerd, kan worden geoordeeld dat deze meebrengt dat het geneesmiddel aan de verzekerde moet worden verstrekt of vergoed, ook al brengt de voorwaarde in de verzekeringsovereenkomst mee dat de verzekerde daarop geen overeengekomen aanspraak heeft. Uit hoofde van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid kan de redenering luiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is de voorwaarde aan de verzekerde tegen te werpen.
beperkttot hetgeen binnen het kader van de bedoelde rechtspraak van de CRvB mogelijk is (door het onderdeel samengevat als een correctie wegens
“zeer bijzondere (medisch ernstig bedreigende) omstandigheden”), mist het feitelijke grondslag. De voorzieningenrechter heeft de ruimte voor derogerende werking met een beroep op die rechtspraak niet
beperkt, maar juist
verruimd(om niet te zeggen: uit het niets geschapen). In die constellatie spreekt het vanzelf dat de mogelijkheid van derogerende werking (zo die al moet worden aanvaard) is beperkt tot hetgeen binnen het kader van de bedoelde rechtspraak van de CRvB mogelijk is [37] .
“naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar”(art. 6:248 lid 2 BW Pro) besloten liggen. Waar het zowel onder de Zvw als onder de daaraan voorafgaande Ziekenfondswet uiteindelijk aankomt op (het al dan niet afwijken van) de wettelijke regeling van verstrekkingen en vergoedingen, getuigt het, als derogerende (of aanvullende) werking van redelijkheid en billijkheid al niet principieel is uitgesloten, naar mijn mening (mede uit oogpunt van coherentie en continuïteit) niet van een onjuiste rechtsopvatting als men de grenzen van die derogerende (of aanvullende) werking met betrekking tot de privaatrechtelijke verzekeringsovereenkomst volgens de Zvw laat samenvallen met de grenzen die de bestuursrechter onder vigeur van de Ziekenfondswet (al is het dan in het kader van een toetsing van verstrekkingsbesluiten aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur) met betrekking tot afwijkingen van de wettelijke omschrijving van het ziekenfondspakket heeft getrokken. Dat, zoals het onderdeel stelt, de uitputtende regeling van de Zvw de beperkende dan wel de aanvullende werking niet uitsluit en te dien aanzien geen
a priorivaststaande beperkingen behelst, doet aan dit alles niet af. Dat de betrokken bepalingen over (een uitsluiting of verenging van) de beperkende dan wel de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid zwijgen, betekent allerminst dat die beperkende dan wel aanvullende werking überhaupt (laat staan: ongelimiteerd) is toegestaan.
beperktmaar juist heeft
verruimd, kan het bestreden oordeel een voldoende motivering niet worden ontzegd; de voorzieningenrechter is uitgegaan van de principiële uitsluiting van derogerende werking ten aanzien van de omschrijving van de (primaire) dekking en heeft vervolgens, met een beroep op de rechtspraak van de CRvB over de parallelle situatie onder Ziekenfondswet, niettemin gelijke afwijkingsmogelijkheden als de CRvB aanvaard.
5.Slotopmerkingen
contra legem-werking van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, naar hun uitkomst (te) onbillijke (en eveneens op dwingende wetsbepalingen berustende) verstrekkingsbesluiten kon corrigeren. Ik realiseer mij zeer wel dat het wegvallen van die rechtsbescherming een dilemma oproept. Men kan, zoals de voorzieningenrechter, trachten daaraan een mouw te passen. Zoals het hof Amsterdam kan men ook (en dat zou mijn voorkeur hebben) onder ogen zien dat het herstellen van de onder vigeur van de Ziekenfondswet geboden rechtsbescherming de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat, in de hoop dat dit zal leiden tot de totstandbrenging van een door de rechtspraak van de CRvB geïnspireerde, ordentelijke procedure, waarop ook in de literatuur wel is aangedrongen. In de tussentijd zouden verzekeraars, waar nodig, wellicht coulance kunnen betrachten.