Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
B.V.
1.Overzicht
allemiddelen wel degelijk heeft aangetrokken met het oog op acquisities door de belanghebbenden.
tax havenvan binnen concern aanwezig eigen vermogen en de acquisities die uit die als vreemd vermogen aan de Nederlandse acquéreur verstrekte middelen zijn gefinancierd. Ik meen echter dat het Hof mede op basis van de parlementaire geschiedenis rechtskundig correct en feitelijk voldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de belanghebbenden niet aannemelijk hebben gemaakt dat de door [D] aan hen verstrekte middelen door het concern niet verworven zijn met het oog op acquisities door de belanghebbenden, althans voor wat betreft de financiering uit de emissieopbrengst.
het concernde uiteindelijk aan de belanghebbenden uitgeleende middelen heeft verworven met het oog op de acquisities. Ik meen dat de beoordeling niet op concernniveau, maar op het niveau van de crediteursniveau moet plaatsvinden, op twee gronden (i): wordt het verwervingsdoel niet op direct concerncrediteursniveau beoordeeld, dan ontstaat in strijd met de verklaarde ratio van art. 10a Wet Vpb ruimte om op concernniveau zonder specifieke bestemming verworven eigen vermogen – zoals ingehouden winst – via
tax havensom te zetten in vreemd vermogen uitgeleend aan Nederlandse concernvennootschappen, met willekeurige, niet-bedrijfseconomisch geïndiceerde bedrijfslasten tot gevolg, die de Nederlandse belastinggrondslag uithollen; (ii) de op dit punt eenduidige formulering van het antwoord van de Minister aan de Eerste Kamer op een vraag dienaangaande. Ik meen daarom dat het middel van de Staatssecretaris doel treft: het Hof had moeten onderzoeken of zich op het niveau van [D] (de rechtstreekse crediteur) een onzakelijke omleiding voordeed. Een onzakelijke omweg doet zich mijns inziens niet voor als het belastingniveau bij [C] over ontvangen rente niet hoger is dat het belastingniveau bij [D].
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
exchange control restrictions) in het algemeen en over de betekenis daarvan voor [A]’ investeringen, opgesteld door prof. [GG] van het Zuid-Afrikaanse advocatenkantoor [HH] Inc. en van de universiteit van Kaapstad. Het is gericht aan belanghebbende 2 en vermeldt: [1]
offshoreholding- en financieringsvehikels, zodat dat vermogen zonder gedoe aan niet-Zuid-Afrikaanse groepsvennootschappen verstrekt kon worden:
offshore holding companiesin lidstaten van de South African Development Community (SADC) zijn onderworpen aan de deviezenrestricties:
offshoreovernames. Het memo vermeldt:
offshoreinvesteringsmaatschappijen voor de [A]-groep en dat, nu de voorgenomen investeringen onder belanghebbende 2 zouden komen te hangen, de emissieopbrengst met SARB-goedkeuring rechtstreeks aan belanghebbende 2 is overgemaakt, maar contractueel en boekhoudkundig via de financieringsmaatschappij van de groep, [D]. Over deze financiering zegt het memo:
loop-structuur genoemd in het citaat in 2.16:
Board of Directorsvan de [E]-groep op 9 februari 2007 over een voorgenomen investering in de Argentijnse
[AA]vermeldt onder meer:
Board of Directorsvan de [E]-groep op 20 juli 2007 in [Z] vermelden over de acquisitie van [G]:
Board of Directorsvan de [E]-groep op 9 november 2007 in [Z] vermelden over de acquisitie van [F]:
Board of Directorsvan de [E]-groep van 14 december 2007 vermelden over deze acquisitie voorts:
3.Het geding in cassatie
Cassatieberoep Staatssecretaris
safe havenvoor de belanghebbenden. De omleiding (van
allemiddelen) langs [D] is hoe dan ook onzakelijk, nu die vennootschap geen personeel, geen bankrekening en geen bedrijfseconomische functie heeft, en dier enige activiteit bestond uit het (laten) verwerken van journaalposten en het communiceren van de stand van de vorderingen van [D] op belanghebbenden. De Staatssecretaris verwijst naar een brief van de Minister van Financiën aan de Eerste Kamer, [7] die opmerkt (zie 4.22 hieronder):
Cassatieberoep belanghebbenden
fraus legisgebaseerde jurisprudentie over belastingontwijkende concernfinancieringen. Uit HR BNB 2005/169 volgt dat bij een zakelijke externe acquisitie ook de zakelijkheid van de daartoe aangegane schuld is gegeven. Dat arrest is ook na invoering van art. 10a Wet Vpb relevant gebleven omdat de codificatie materieel slechts een bewijslastverschuiving inhield naar de belastingplichtige, die aan die bewijslast voldoet als de gefinancierde rechtshandeling een zakelijke externe acquisitie is. Had de wetgever willen afwijken van HR BNB 2005/169, dan had hij de tegenbewijsregeling daaraan moeten aanpassen. HR BNB 2005/169 onderscheidt zich van HR BNB 1996/4 en het door de Staatssecretaris ingeroepen arrest HR BNB 2013/137, doordat het in HR BNB 2005/169 om een externe acquisitie ging en daarmee om een reële financieringsbehoefte.
tax havenaan hen is uitgeleend. Van zulke ‘oormerking’ is in casu geen sprake: ten tijde van de emissie was onzeker of en hoeveel middelen benodigd zouden zijn voor acquisities door de belanghebbenden; het acquisitieproces bevond zich in de verkennende fase en de verwachting was reëel dat de overnamekas zou worden gebruikt voor een andere acquisitie, in Argentinië. Dat het tegenbewijs dan is geleverd, volgt uit de MvA EK: [9] de buitenlandse concernvennootschap heeft het voor de lening aan de Nederlandse belastingplichtige gebruikte eigen vermogen niet met het oog op de acquisitie verworven. Het Hof heeft die MvA EK onjuist uitgelegd, door te oordelen dat slechts dan geen sprake is van een onzakelijke omleiding als het eigen vermogen door de concerncrediteur niet is verkregen met het oog op
enigeacquisitie door de belanghebbenden. Aftrek kan alleen worden geweigerd als een
rechtstreeksindividueel verband bestaat tussen de afzondering van het eigen vermogen en een concrete acquisitie.
loopgoedkeuring zou onthouden aan een kapitaalstorting alsnog in belanghebbende 2. Ook onbegrijpelijk achten zij:
schuldenoverwegend zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. De bewijslast ligt bij de belanghebbenden; niet bij de Inspecteur of het Hof. ‘s Hofs maatstaf is niet onjuist of onbegrijpelijk. Het Hof heeft erkend dat ook deviezenrestricties en valutarisico’s een rol zullen hebben gespeeld, maar heeft niet aannemelijk geacht dat zij in overwegende mate ten grondslag lagen aan de schulden. Belanghebbendes maatstaf zou ertoe leiden dat concerns met topholding in een land met deviezenrestricties en volatiele valuta een vrijbrief zouden hebben om middelen boekhoudkundig om te leiden langs een lichaam zonder bedrijfseconomische functie in een
tax haven.
loopis niet onbegrijpelijk en verweven met oordelen van feitelijke aard, die in cassatie niet toetsbaar zijn.
de factoop de Nederlandse bankrekening van belanghebbende 2 stonden; een uitkering door [C] aan [B] gevolgd door storting in belanghebbende 2 zou dat niet veranderen. Nu dividenduitkering of kapitaalterugbetaling door [D] aan [B], gevolgd door storting in belanghebbende 2, slechts uit journaalposten zou bestaan, brengen zij ook geen additionele valutarisico’s mee.
4.Grondslaguitholling door renteaftrek en art. 10a Wet Vpb
Wettekst en achtergrond
Stb.2007, 563, is aan lid 3(b) toegevoegd de mogelijkheid dat de inspecteur ondanks het bestaan van een redelijke heffing elders aannemelijk maakt dat zakelijke overwegingen bij het aangaan van de schuld niet overwogen.
fraus legiswerden bestreden onder een wettelijke regeling. Uw tot 1996 te dier zake gewezen jurisprudentie was leidraad bij de formulering van art. 10a Wet Vpb. De wetgever wilde met codificatie onder meer onduidelijkheid en rechtsonzekerheid wegnemen: [12]
fraus-legisjurisprudentie richtsnoer was bij de formulering van de renteaftrekbeperking: [14]
fraus-legisjurisprudentie uitgangspunt was bij de formulering van art. 10a Wet Vpb nam echter niet weg dat de bepaling op sommige punten verder ging dan uw jurisprudentie: [15]
Jurisprudentie over gevallen van vóór invoering van art. 10a Wet Vpb
fraus legisgenegeerd, zodat de aftrek bij de belanghebbende verviel van de bij de vereniging niet-belaste rente. Het hof had geoordeeld dat, nu de rechtshandelingen tezamen bezien als zakelijk konden worden beschouwd (reorganisatie), de hiermee verband houdende schuld niet geacht kon worden de belastingheffing te verijdelen. U oordeelde anders:
fraus legisdus worden toegepast op niet-zakelijke stappen binnen die herstructurering: de zakelijkheid van het uiteindelijke doel van een samenstel van (rechts)handelingen leidt niet automatisch tot zakelijkheid van alle (rechts)handelingen binnen het samenstel, met name niet automatisch tot zakelijkheid van de financieringswijze ervan.
fraus legis(de zaak stamde immers van vóór 1996) weigerde de inspecteur de renteaftrek omdat binnen het concern zonder noodzaak – er was immers genoeg eigen vermogen – een schuldverhouding en rentelasten waren gecreëerd, leidend tot willekeurige en voortdurende verijdeling van vennootschapsbelastingheffing. Het hof had het beroep op
fraus legisverworpen omdat niet aannemelijk was geworden dat het concern (vóór de emissie) over voldoende vrij eigen vermogen beschikte. U oordeelde dat als een belastingplichtige een extern belang acquireert en tot financiering daarvan een schuld aangaat, de zakelijkheid van die schuld een gegeven is:
curs.) ‘het daartoe
aanwenden of aantrekkenvan eigen vermogen’ leid ik af dat u afstand nam van het oordeel van het Hof dat
fraus legis(wél) toegepast had moeten worden als zonder emissie al voldoende vrij eigen vermogen binnen het concern voorhanden was geweest voor de overname: het gegeven dat ook vrij eigen vermogen beschikbaar was, deed niet ter zake.
fraus legisis niet aan de orde als het zakelijke karakter van het eindresultaat evident is. Hieruit blijkt zijns inziens duidelijk dat het toen inmiddels ingevoerde art. 10a Wet Vpb méér is dan slechts codificatie van uw
fraus-legisjurisprudentie inzake concernfinanciering:
BNB2000/111c* (…) en (…)
BNB2003/183c* (…) had ik al eerder geconcludeerd dat aparte toetsing van individuele rechtshandelingen (zoals de financieringsbeslissing) aan fraus legis of richtige heffing niet aan de orde is c.q. mag komen als het zakelijk karakter van het eindresultaat evident is. De Hoge Raad heeft deze opvatting nu nog eens expliciet bevestigd. Daarmee logenstraft ons hoogste rechtscollege ook de tijdens de parlementaire behandeling van de antiwinstdrainage-wetgeving ontstane indruk dat deze wetgeving voor wat de renteaftrekbeperkingen in art. 10a, en 15, vierde en vijfde lid (nu inmiddels art. 15ad) Wet Vpb 1969 betreft, afgezien van een evidente correctie van HR 10 maart 1993, nr. 28 139,
BNB1993/196* en het PLC-arrest (HR 20 september 1995, nr. 29 737,
BNB1996/5c*), slechts een codificatie van de rechtspraak zou betreffen (zie o.a. Kamerstuk 24 696, nr. 8, blz 19). Het ging deels mede om een codificatie van omstreden standpunten van de fiscus. Eén van die omstreden standpunten was dat sommige transacties zo gekunsteld werden geacht dat zij nimmer tot renteaftrek konden leiden. Dat zijn de transacties opgenomen in het eerste lid van art. 10a Wet Vpb 1969. (…).”
BNB1996/4c* [19] was sprake van een zakelijke interne “verhanging”. De Hoge Raad oordeelde echter in die casus dat het zakelijke doel niet in de weg stond aan de toepassing van fraus legis.” [20]
De tegenbewijsregeling en de herziening van art. 10a Wet Vpb in 2007
fraus legisaannemelijk moest maken dat de schuld was ingegeven door fiscale motieven. Na invoering van art. 10a Wet Vpb moet de belastingplichtige overwegende zakelijke redenen voor de schuld aannemelijk maken, aldus de MvT: [21]
BNB2005/169 dat bij een externe acquisitie de zakelijkheid van de schuld gegeven is – maar de wet vereist een afzonderlijke toets van de zakelijkheid van de schuld.” [25]
double dipstructuren überhaupt bestreden kunnen worden met art. 10a Wet Vpb, nu daarbij niet noodzakelijkerwijs de
Nederlandsegrondslag wordt uitgehold: [35]
double dip), kunnen in de optiek van de staatssecretaris onder het begrip onzakelijke omleiding vallen. Hierbij denkt de staatssecretaris aan het creëren van een mismatch door gebruik te maken van het verschil in fiscale kwalificatie van een rechtsvorm (hybride rechtsvormen: transparant/niet-transparant) dan wel financieringsvorm (hybride financieringsvormen: vreemd vermogen/eigen vermogen).
in het buitenland. Dit is extra opvallend nu het per 1 januari 2013 ingevoerde art. 13l [40]
Jurisprudentie over gevallen van ná de invoering van art. 10a Wet Vpb
fraus legishad kunnen worden toegepast:
BNB1996/4c*. [51] In dat arrest is met betrekking tot een interne verhanging geoordeeld dat de omstandigheid dat een samenstel van rechtshandelingen in zijn geheel bezien zakelijk gemotiveerd is, niet wegneemt dat er in dat samenstel onnodige en onzakelijke rechtshandelingen kunnen zijn begrepen zodat het leerstuk van de wetsontduiking kan worden toegepast. Hoewel de verschillendewegenleer in mijn opvatting in abstracto juist is, en ook geldt in de context van winstdrainage, is zij in die context vaak lastig toe te passen. Als een bepaalde 10a-transactie zakelijk is, dan is er een reële financieringsbehoefte op het niveau van de belastingplichtige, en het is vaak moeilijk om in te zien waarom schuldfinanciering gekunstelder zou zijn dan financiering met eigen vermogen. Dat kan anders zijn als de schuldfinanciering overbodige tussenschakels heeft (bijvoorbeeld een uitdeling of storting binnen concern gevolgd door een lening aan de belastingplichtige; zie de “onzakelijke omweg” hierna [PJW: ‘hierna’ komt Marres echter niet terug op de onzakelijke omleiding].
BNB2005/169c* leek het erop dat de verschillendewegenleer in de context van winstdrainage niet langer kon worden toegepast. Bij een externe acquisitie was volgens de Hoge Raad de zakelijkheid van de schuld gegeven. Toen in het wetsvoorstel Werken aan winst werd voorgesteld om ook rente in verband met externe acquisities onder het bereik van art. 10a Wet VPB 1969 te brengen, hetgeen ook is geschied, [52] kwam de vraag op of deze uitbreiding wel effect had omdat – gelet op
BNB2005/169c* – per definitie aan de tegenbewijsregeling zou zijn voldaan. Volgens de minister wel: ten eerste omdat een externe acquisitie onzakelijk kan zijn, en ten tweede omdat een schuld in verband met een externe acquisitie onzakelijk kan zijn. [53] Wel heeft hij bevestigd dat indien de externe acquisitie zakelijk was, aan de tegenbewijsregeling was voldaan “voor het geval dat die vennootschap het voor de geldlening aangewende eigen vermogen niet met het oog op de acquisitie heeft verkregen”. [54] Het blijft echter de vraag hoe effectief deze wetswijziging is, aangezien de zakelijkheidstoets van art. 10a lid 3 onderdeel a Wet VPB 1969 niet is gewijzigd, en die toets kennelijk juist een codificatie vormt van het motiefcriterium uit de winstdrainagejurisprudentie (zie punt 8). Het antwoord op die vraag hangt af van de reikwijdte van het arrest: is die beperkt tot dividenden, althans intraconcerntransacties, of sluit die ook externe acquisities in?
BNB2005/169c* van belang blijft, namelijk voor de toepassing van art. 10a lid 3 onderdeel a Wet VPB 1969. Mijns inziens zijn er goede argumenten voor de laatstgenoemde opvatting. Uit het onderhavige arrest kan niet worden afgeleid dat de leer van
BNB2005/169c* niet geldt voor art. 10a. De Hoge Raad overweegt immers (in r.o. 4.2.3.1, mijn cursivering): “
Bij een zodanige bestemmingvan de geleende gelden kan nochtans de manier van financiering op een zodanige wijze door fiscale motieven zijn ingegeven dat geen sprake is van een geldlening waaraan in overwegende mate zakelijke motieven ten grondslag liggen.” In casu was de bestemming een dividenduitkering die strekte ter verwezenlijking van een zakelijk doel. Het is dus niet gezegd dat deze overweging geldt voor alle transacties die strekken ter verwezenlijking van een zakelijk doel. De term “bestemming” duidt mijns inziens niet op het motief van de belastingplichtige maar – in de gegeven context – op de aanwending van de gelden. Zo beschouwd heeft de Hoge Raad zijn overwegingen beperkt tot dividenden en in het midden gelaten wat rechtens is voor andere gevallen die onder het bereik van art. 10a Wet VPB 1969 vallen.”
eerste subargumentis gebaseerd op het arrest van HR (…)
BNB2005/169 (…). De Hoge Raad overwoog destijds dat, indien "een concern door middel van een Nederlandse (holding)vennootschap van derden de aandelen in een vennootschap overneemt en die (holding)vennootschap ter financiering daarvan een schuld aangaat, (…) het zakelijk karakter van die schuld [is] gegeven (…)". De Hoge Raad beslist nu in het onderhavige geval dat de manier van financiering op een zodanige wijze door fiscale motieven kan zijn ingegeven dat geen sprake is van een geldlening waaraan in overwegende mate zakelijke motieven ten grondslag liggen. De vraag is uiteraard of dit verschil in uitkomst is terug te voeren op de invoering van art. 10a Wet VPB 1969. Wij zouden menen dat dit niet het geval is, althans niet het geval behoeft te zijn. In de situatie van het arrest
BNB2005/169 was er vanuit belanghebbende evident sprake van een financieringsbehoefte. De koopprijs van de deelneming diende immers te worden voldaan. Dat ligt in het onderhavige geval toch wat genuanceerder, want voor het verkoopklaar maken behoeft niet per se financiering te worden opgenomen. Dit te meer, omdat het in het onderhavige geval met name ging om de overdracht van vorderingen gehouden door het coördinatiecentrum op andere concernonderdelen, waarbij het niet bepaald voor de hand ligt dat daarvoor nu door belanghebbende leningen moeten worden opgenomen bij datzelfde coördinatiecentrum. In dat verband heeft de inspecteur het alternatief genoemd van inkoop van eigen aandelen door het coördinatiecentrum. In dat licht lezen wij ook de overweging van de Hoge Raad dat financiering bij een
zodanige bestemming(de dividenduitkering) op een
zodanige wijzedoor fiscale motieven kan zijn ingegeven, dat geen sprake is van zakelijke overwegingen ten aanzien van de geldlening. Deze benadering van de Hoge Raad laat enerzijds mogelijk toe dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de verschillende types besmette rechtshandelingen van art. 10a Wet VPB 1969 en dat het arrest
BNB2005/169 zijn belang ook na invoering van art. 10a Wet VPB 1969 heeft behouden voor gevallen met een reële financieringsbehoefte. Deze benadering van de Hoge Raad laat anderzijds mogelijk ook toe om de zogenoemde onzakelijke omleiding welke in (en deels na) de wetgeschiedenis van de Wet werken aan winst aan de orde is gekomen, aan te pakken.”
BNB2013/137c* [58] zou wellicht op het eerste gezicht kunnen worden afgeleid dat onder art. 10a Wet VPB 1969 ook bij externe acquisities een dubbele zakelijkheidstoets dient te worden aangelegd. Het arrest betrof echter geen externe acquisitie, maar een zakelijke dividenduitkering die met een schuld van een verbonden lichaam was gefinancierd. De Hoge Raad oordeelde: “Het Hof is terecht ervan uitgegaan dat de omstandigheid dat een dividenduitkering strekt ter verwezenlijking van een zakelijk gefundeerd doel, niet uitsluit dat dit niet geldt voor de wijze van financiering van die dividenduitkering. Bij een zodanige bestemming van de geleende gelden kan nochtans de manier van financiering op een zodanige wijze door fiscale motieven zijn ingegeven dat geen sprake is van een geldlening waaraan in overwegende mate zakelijke motieven ten grondslag liggen.”
BNB2013/137c* alleen (zakelijke) dividenduitkeringen en vergelijkbare rechtshandelingen omvatten maar geen externe acquisities, [59] dan is diens beslissing volledig in lijn met het onderscheid dat dit rechtscollege in het verleden heeft gemaakt tussen de financiering van externe acquisities (
BNB2005/169c*) en overige (zakelijke) transacties (
BNB1996/4c*). Echter, het enkele gegeven dat
BNB2013/137c* handelt over een dividenduitkering, hoeft niet — a contrario geredeneerd — te betekenen dat de Hoge Raad, in weerwil van de hierboven gegeven grammaticale, wetshistorische en wetssystematische argumenten, onder het huidige recht geen dubbele zakelijkheidstoets zal aanleggen bij (zakelijke) externe acquisities. Wij zijn in ieder geval van mening dat
BNB2005/169c* op basis van deze argumenten geen beslissende rol vervult bij de toepassing van art. 10a lid 3 onderdeel a Wet VPB 1969.
BNB2013/137c* niet moet worden overschat. De belanghebbende heeft bij het hof niet het volgende standpunt ingenomen: omdat de dividenduitkering werd gefinancierd vanuit reeds in het concern aanwezig eigen vermogen, is geen sprake van een onzakelijke omleiding en moet om die reden de financieringwijze als zakelijk worden bestempeld. [60] De (bestuurs)rechters hebben met andere woorden geen uitspraak kunnen doen over de houdbaarheid van deze argumentatie.”
5.Analyse
tax haven(er wordt bij de crediteur immers niet voldoende geheven [61] ). Dit uitgangspunt is echter verzacht door de in onderdeel 4.21 geciteerde MvA EK: aftrek is ook bij aanwezigheid van voldoende vrij eigen vermogen in Nederland ‘zonder meer’ mogelijk, mits (bij de buitenlandse concerncrediteur voldoende geheven wordt of) de middelen voor de lening door de buitenlandse concerncrediteur niet aangetrokken zijn met het oog op de acquisitie door de Nederlandse debiteur. In zoverre heeft de wetgever HR BNB 2005/169 (wél) bevestigd (zie de laatste alinea van onderdeel 4.10 hierboven): de aanwezigheid van voldoende vrij eigen vermogen binnen (het Nederlandse deel van) het concern is op zichzelf geen beletsel voor renteaftrek, ook niet als de crediteur in een
tax havenzit, mits die
tax-havencrediteur er maar niet met het oog op de acquisitie tussen is gezet; in zoverre is de keuze tussen eigen en vreemd vermogen inderdaad vrij gebleven.
nietautomatisch mee dat de financieringswijze ook als zakelijk moet worden beschouwd. Overigens: ook als dat anders zou zijn, en u met ‘een zodanige bestemming’ doelde op de litigieuze zakelijke dividenduitkering, kan daarop mijns inziens niet gebaseerd worden dat de door de wetgever expliciet dubbel gewenste zakelijkheidstoets beperkt zou moeten worden tot dividenduitkeringen, c.q. tot andere rechtshandelingen dan zakelijke externe acquisities, die in 2007 juist expliciet onder het regime van art. 10a Wet Vpb zijn gebracht. Het door u berechte geval betrof nu eenmaal een dividenduitkering en niet enige andere rechtshandeling. Uit het feit dat het arrest niets zegt over schulden aan
tax havensin verband met zakelijke externe acquisities kan daarom mijns inziens slechts afgeleid worden dat het arrest niets zegt over schulden aan
tax havensin verband met zakelijke externe acquisities.
tax haven). Dit betoog is (kennelijk) gebaseerd op de in 4.21 geciteerde MvA EK: als de groepscrediteur in de
tax havende aan de Nederlandse belastingplichtige uit te lenen middelen niet heeft aangetrokken met het oog op de acquisitie door de Nederlandse belastingplichtige, is geen sprake van een onzakelijke financieringsomweg binnen het concern. Met dit betoog kan in beginsel ingestemd worden, gezien die MvA EK, maar het begrip ‘reële financieringsbehoefte’ speelt daarbij mijns inziens geen behulpzame rol. Indien de acquirerende groepsvennootschap ruim voldoende eigen vermogen heeft om de externe
target companyte kopen, maar dat eigen vermogen in kas houdt en in plaats daarvan rentedragend geld inleent bij een groepsvennootschap in een
tax haven, bestaat mijns inziens in beginsel geen behoefte, laat staan een reële, aan die schuldfinanciering, ook niet als het geld niet speciaal met het oog op de acquisities in de
tax havenis terechtgekomen. Met de stelling dat belastingplichtigen vrij zijn in hun keuze tussen eigen en vreemd vermogen (zie uw arresten HR BNB 2014/79 [62] en HR BNB 2014/80 [63] waarnaar de belanghebbende verwijst) is immers bij betwisting nog niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke financiering in overwegende mate berust op niet-fiscale overwegingen. Het is slechts de in 4.21 geciteerde MvA EK die op deze hoofdregel van bewijslastverdeling inbreuk maakt: de belastingplichtige kan – ook al bezit zij voldoende vrij eigen vermogen – op grond van die parlementaire geschiedenis volstaan met het bewijs dat de
tax-havengroepsvennootschap het aan de belastingplichtige uitgeleende geld niet heeft verkregen met het oog op de acquisitie. Men realisere zich echter dat deze
escapeeen uitzondering op (verzachting van) het systeem van de tegenbewijsregeling is.
prima faciekant en wal mist, zal de belanghebbende zowel (i) bedrijfseconomische beweegredenen als (ii) de overwegendheid daarvan aannemelijk moeten maken, waarbij onduidelijkheid en twijfel voor zijn risico blijven.
tax haven, want als bij de concerncrediteur redelijk wordt geheven, is in beginsel tegenbewijs voorhanden ex art. 10a(3)(b) Wet Vpb) vóórdat het geld aan de belastingplichtige wordt uitgeleend, de schuld van die belastingplichtige (aan de concerncrediteur in een
tax haven) niet onzakelijk maken. Ik zie geen steun in de tekst of de parlementaire behandeling van art. 10a(3) Wet Vpb voor deze zeer beperkende maatstaf, die ertoe zou leiden dat alleen kasrondjes getorpedeerd zouden kunnen worden. Het lijkt mij uit onderdeel 4 hierboven duidelijk dat de wetgever zich geenszins heeft willen beperken tot kasrondjes, maar alle willekeurige niet op bedrijfseconomische overwegingen berustende belastinggrondslagaantastingen door schulden in verband met aangewezen rechts-handelingen wilde bestrijden. Dat de Minister als ‘sprekend voorbeeld’ een kasrondje gaf (zie 4.20 hierboven), wil uiteraard niet zeggen dat er geen andere voorbeelden zijn. Een voorbeeld is per definitie slechts een voorbeeld en uit de term ‘sprekend’ volgt dat ook de Minister meende dat hij slechts een ‘geheid’ geval noemde en er ook minder ‘sprekende’ voorbeelden zijn. Zoals boven reeds opgemerkt, lijkt mij het criterium ‘reële financieringsbehoefte’ op dit punt
neither here nor there: het biedt mijns inziens geen vrijhaven, noch een relevant rechts- of bewijsvermoeden.
tax haven) van binnen het concern aanwezig eigen vermogen en de acquisitie die uit dat vermogen wordt gefinancierd na omzetting in (voor de belanghebbenden) vreemd vermogen. Als de gekozen intraconcern-financieringsroute langs een
tax haven(in de loop waarvan eigen vermogen uiterlijk in de laatste schakel vóór de belanghebbenden vreemd vermogen is geworden) in overwegende mate samenhangt met de acquisitie gefinancierd met vanuit die
tax havenverstrekt vreemd vermogen, doet zich het geval voor waarin niet-bedrijfseconomische redenen overwegen en fiscaal willekeurig lasten worden opgeroepen in Nederland. Het afzonderen van door het concern aangetrokken eigen vermogen in een
tax havenvan waaruit een lening aan de belastingplichtige in Nederland wordt verstrekt, is dan onnodig of gekunsteld uit een oogpunt van verwezenlijking van de voorgenomen acquisitie. Dat strookt met de in 4.21 hierboven geciteerde MvA EK inhoudende dat geen verder tegenbewijs vereist is als de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de concerncrediteur in de
tax haven‘het voor de geldlening aangewende eigen vermogen niet met het oog op de acquisitie heeft verkregen.’
tax haven) en in vreemd vermogen is omgezet. Een dergelijke beperkende maatstaf kan niet gebaseerd worden op de tekst of de parlementaire behandeling van art. 10a Wet Vpb. Integendeel: die beperking zou mijns inziens realisering van doel en strekking van art. 10a Wet Vpb in gevaar brengen (tegengaan dat door renteaftrek op concernleningen die willekeurig en zonder bedrijfseconomische redenen zijn aangegaan de Nederlandse belastinggrondslag wordt uitgehold). Deze beperkende maatstaf zou tot gevolg hebben ofwel dat de Inspecteur de niet-kenbare bedoelingen van het concern ten tijde van de emissie moet bewijzen (hoewel de bewijslast op de belastingplichtige rust), ofwel dat de belastingplichtige reeds een
safe havenzou bereiken als zij aannemelijk maakt dat bij de verwerving van het eigen vermogen door het concern een kapitaalstorting in de Nederlandse acquéreur niet de bedoeling was. Uiteráárd was dat niet de bedoeling, lijkt mij; het was immers de bedoeling om de Nederlandse acquéreur
vreemdte financieren. Bovendien kan heel wel eigen vermogen door het concern verworven zijn
zonderspecifieke bedoeling, zoals bijvoorbeeld door het behalen en inhouden van winst.
tax havenhet benodigde geld niet als eigen vermogen, maar als renteloze concernlening heeft verkregen, terwijl
het concernhet geld (wél) als eigen vermogen heeft aangetrokken. Daarop ga ik in bij de behandeling van de middelen.
6.Beoordeling van de middelen
Cassatieberoep belanghebbenden
tax-havenconcernvennootschap en externe acquisities door de Nederlandse concernvennootschap gefinancierd met van die
tax-havenvennootschap ingeleend geld. Zoals boven (5.8 – 5.10) bleek, meen ik dat dat juist is, maar dat de vraag rijst welke mate van samenhang vereist is, en dat de ‘stortingsoogmerk’-samenhang die de belanghebbende eist, te eng is. Waar het om gaat, is de betekenis van de in 4.21 geciteerde MvA EK. Middel II bestrijdt ’s Hofs r.o. 4.8.3, waarin het Hof separaat ingaat op de betekenis van die MvA EK voor de uitleg van art. 10a(3)(a) Wet Vpb. Opgemerkt zij dat het Hof voorafgaand aan die overweging al tot het oordeel is gekomen dat de belanghebbenden niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun schulden aan [D] – voor zover gefinancierd uit de emissieopbrengst – in overwegende mate berustten op zakelijke overwegingen – zodat de financieringswijze berustte op een vrije keuze van het concern – onder meer omdat zij niet aannemelijk hebben gemaakt (i) dat er historische redenen zijn voor financiering via Mauritius, noch (ii) dat de SARB de vereiste goedkeuringen niet evenzeer zou hebben verleend als de financiering niet boekhoudkundig via Mauritius maar meteen (als storting) naar Nederland zou zijn gelopen of als geherfinancierd zou zijn van Mauritius terug naar Zuid-Afrika en vervolgens naar Nederland, noch (iii) dat het boekhoudkundig toerekenen van de rechtstreeks naar Nederland overgemaakte middelen aan [D] investeringen in SADC-gebied diende, noch (iv) gevaar bestond dat zich een door de SARB verboden SADC-
loopzou voordoen.
dieindividuele acquisitie. De belanghebbenden wijzen op de onzekerheid die ten tijde van de emissie bestond over de vraag welke overnameonderhandelingen tot welk resultaat zouden leiden. De Staatssecretaris betoogt dat het tijdstip van daadwerkelijke acquisitie beslissend is en dat op dat moment het verband tussen het aantrekken van vermogen door [D] en de acquisities door de belanghebbenden vaststond.
target(s)onder de Nederlandse concerntak zou(den) komen te hangen. Dat oordeel is feitelijk en mijns inziens, gezien het bovenstaande, niet onbegrijpelijk. Daarmee is mijns inziens voldoende verband tussen de emissie en de vijf door de belanghebbenden gerealiseerde acquisities vastgesteld om de ‘vrijhaven’ geformuleerd in de MvA EK uit te schakelen. Daarmee faalt middel II.
captive tax-havenvennootschap die geen belasting betaalt en (ii) de beschikbaarheid van dezelfde niet-fiscale voordelen (omzeiling van deviezenbeperkingen) bij een route ‘via Nederland’ in plaats van ‘via Mauritius’. Het Hof heeft mijns inziens aldus de juiste, in 5.6 geformuleerde rechtskundige maatstaf toegepast. Bij pleidooi in cassatie heeft de belanghebbende erkend [64] dat het voor (de omzeiling van) de Zuid-Afrikaanse deviezenbeperkingen niet uitmaakt of de financieringsroute via Mauritius of via Nederland loopt, op één punt na: bij investering of herinvestering in SADC-gebied is Mauritius gunstiger omdat het in SADC-gebied ligt en Nederland niet, zodat het verbod op SADC-
loops(her)investering vanuit Nederland in SADC-gebied zou treffen. Het Hof heeft echter niet aannemelijk geoordeeld dat de desbetreffende gelden bestemd waren voor investeringen in SADC-gebied (r.o. 4.7.5.2). Het Hof kon er daarbij aan voorbij gaan dat de belanghebbenden ergens gesteld hebben [65] dat USD 47 mio in SADC-gebied is geïnvesteerd ‘gedeeltelijk uit de emissieopbrengst die aan [D] ter beschikking is gesteld’, [66] nu uit de feitelijke vaststellingen niet blijkt dat die ‘emissieopbrengst die aan [D] ter beschikking is gesteld’ slechts het bedrag ad USD 581,4 mio omvatte van de emissieopbrengst ad USD 1 mrd dat rechtstreeks naar belanghebbende 2 is overgemaakt, en niet de gehele emissieopbrengst of een groter deel daarvan, terwijl ‘een gedeelte van USD 47 mio’ ruim gefinancierd kan worden uit de emissieopbrengst ad USD 1 mrd, ná aftrek van de acquisitiebedragen die de belanghebbenden uit die emissieopbrengst hebben besteed (€ 422.882.516, € 107.572.146, en USD 72.500.000). (Ook) voor het overige is ‘s Hofs oordeel feitelijk en mijns inziens niet onbegrijpelijk in het licht van de door het Hof vastgestelde feiten, de wettelijke bewijslast-verdeling en de strekking van art. 10a Wet Vpb. Gezien de wettelijke bewijslastverdeling en de stellingnamen van de fiscus, lag het op de weg van de belanghebbende de bronnen en doelen van de geldstromen feitelijk en kwantitaties op te helderen en zakelijk ter verklaren.
‘profits earned offshore’van [C]. Dat bezwaar is niet aan de orde bij een kapitaalterugbetaling, die per definitie niet uit
profitsstamt, zodat de herkomst ervan niet ter zake kan doen. Terecht merkt de Staatssecretaris op dat vaststaat dat USD 581 mio met SARB-toestemming van meet af aan in Nederland op de bank stond en niet in te zien valt dat dat bedrag bij boekhoudkundige kapitaalterugbetaling door [C] aan [B] daar niet gewoon in die valuta zou blijven staan, zodat het Hof er van uit kon gaan dat de belanghebbende met verwijzing naar het memo van [GG] niet aannemelijk heeft gemaakt dat terugbetaling gevolgd door storting in belanghebbende 2 (significante) valutarisico’s meegebracht zou hebben. ’s Hofs oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat de SARB bezwaar zou hebben gehad tegen storting in belanghebbende 2, noch dat andere zwaarwegende bezwaren tegen een dergelijke financieringsroute bestonden, is voorts niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Ook middel III faalt mijns inziens.
verdere(om)geleiding
binnen Mauritius(langs [D]) niets toe, zodat die verdere omgeleiding een andere (overwegende) zakelijke verklaring van de kant van de belanghebbenden zou behoeven, nu de fiscus in feitelijke instantie heeft gesteld (zie 6.19 hieronder) dat (ook) de
extrastap van omgeleiding langs [D] onzakelijk was.
Cassatieberoep Staatssecretaris (onzakelijke omleiding op Mauritius)
safe havenvan de in 4.21 hierboven geciteerde MvA EK, nu geen sprake is van eigen vermogen bij de rechtstreekse concerncrediteur, maar van door [C] aan [D] renteloos verstrekt vreemd vermogen, dat door de laatste is aangetrokken met het oog op uitlening aan de belang-hebbenden. Het Hof gaat zijns inziens ten onrechte voorbij aan deze onzakelijke tussenstap.
het concernen hebben het niet over omleiding via een
tax haven. Omdat de vraag echter volgens de Minister alleen hout snijdt bij omleiding van het buitenlandse eigen vermogen van het concern langs een
captive tax-havenvennootschap (in andere gevallen zal zijns inziens voldaan zijn aan die andere vorm van tegenbewijs: een naar Nederlandse maatstaven redelijke heffing bij de crediteur), herformuleert hij de vraag, er daarbij bovendien van uitgaande dat in de
tax havenmaar één niveau van het concern is gevestigd, nl. alleen een (één) concernfinancieringsvennootschap. Hij antwoordt op de aldus geherformuleerde vraag dat ‘zonder meer’ aan de tegenbewijsregeling is voldaan ‘voor het geval dat die vennootschap (
i.e.de
tax haven-concernfinancieringsvennootschap) het voor de geldlening aangewende eigen vermogen niet met het oog op de acquisitie heeft verkregen.’ Hoewel de vraag dus inhield of aftrek akkoord is als
het concernniet-Nederlands eigen vermogen omzet in vreemd vermogen, ‘bevestigt’ de Minister dat aftrek akkoord is als
de rechtstreekse concerncrediteur(de
tax-havenvennootschap) het niet-Nederlandse eigen vermogen niet heeft aangetrokken met het oog op de acquisitie. Het bepalen van de portée van de MvA EK voor belanghebbendendes geval wordt voorts bemoeilijkt doordat op het niveau van [D] geen sprake is van
eigenvermogen, zoals verondersteld in zowel vraag als antwoord, maar van (renteloos) vreemd vermogen, hoewel het vanuit de groep bezien wel om eigen vermogen gaat: op het niveau van [C] zijn de gebruikte middelen immers wél eigen vermogen.
allegebruikte middelen) niet zozeer of niet alleen in de geleiding
langsMauritius, maar ook of vooral in de omleiding
binnenMauritius. Dit standpunt impliceert de stelling dat indien niet [D], maar [C] de leningen aan de belanghebbenden had verstrekt, zulks géén ‘omleiding’ zou zijn geweest omdat [C] alsdan (significant) méér belasting over de van de belanghebbenden ontvangen rente zou hebben betaald dan [D] doet. Ik heb voor die stelling geen duidelijke feitelijke grondslag in het dossier gevonden en de feitenrechters hebben ook niet vastgesteld dat [C] wél – enigszins significant – belasting betaalde over ontvangen rente, maar de Inspecteur heeft wel onweersproken gesteld dat [D] op Mauritius de belastingvrije GBC 2-status geniet en [C] niet. [68] De vraag naar die feitelijke grondslag is slechts van belang als het Hof, zoals de Staatssecretaris stelt, een verkeerde maatstaf heeft aangelegd door
op concernniveaute beoordelen met welk doel de middelen zijn verworven waarmee (uiteindelijk) de acquisities zijn gefinancierd in plaats van
op het niveau van de laatste schakelvóór de belanghebbenden in de financieringsketen (
i.e.het niveau van [D]).
tax haven, dus in de laatste concernschakel vóór uitlening aan de Nederlandse acquéreur. Ik ben dat met hen eens op twee gronden: (i) wordt het oogmerk niet op crediteursniveau beoordeeld, dan ontstaat in strijd met de verklaarde ratio van art. 10a Wet Vpb ruimte om op concernniveau zonder specifieke bestemming verworven eigen vermogen, zoals ingehouden (vermogens)winsten en onspecifieke emissieopbrengsten, binnen harlekijnvennootschappen in
tax havensom te zetten in vreemd vermogen uitgeleend aan Nederlandse concernvennootschappen, met willekeurige, niet-bedrijfseconomisch geïndiceerde bedrijfslasten tot gevolg, die de Nederlandse belasting-grondslag uithollen; (ii) de op dit punt eenduidige formulering van het antwoord van de Minister aan de Eerste Kamer (‘
dievennootschap’,
i.e.de rechtstreekse concerncrediteur).
nietonzakelijk als [C] voor de ontvangen rente aan hetzelfde of een vergelijkbaar Mauritiaans belastingregime zou zijn onderworpen als [D] (‘niet of nauwelijks belast’), omdat alsdan per definitie fiscale overwegingen niet overwegend kunnen zijn geweest. Of dat zo is, moet mijns inziens de feitenrechter onderzoeken omdat de feitelijke basis voor het oordeel dat [C] significant meer betaalde in cassatie te dun is en de zaak niet afgedaan kan worden met het oordeel dat de fiscus dat dan maar duidelijker had moeten stellen in feitelijke instantie omdat de bewijslast van zakelijkheid bij betwisting (en betwist is er) op de belanghebbende rust.
substancevan [D] niet ter zake doet als de concernvestiging op Mauritius het doel van omzeiling van de Zuid-Afrikaanse deviezenbeperkingen maar bereikt, maar (i) het Hof heeft feitelijk geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat
dieomzeiling in casu het overwegende doel was van de Mauritius-route, en (ii) voor
dieomzeiling zou [C] volstaan hebben, zodat de verdere (om)geleiding
binnen Mauritiuslangs [D] niet verklaard kan worden uit deviezenbeperkingen-omzeilingsmotieven. Dat zo zijnde, kan gebrek aan
substancewel degelijk van belang zijn voor de beoordeling van (andere) zakelijke motieven, die niet gesteld lijken te zijn, maar daarvoor krijgt de belanghebbende een herkansing bij de verwijzingsrechter.