Conclusie
2.Procesverloop
datdeze informatie moest worden meegedeeld; partijen twisten over de vraag
ofdat is gebeurd. [eiser] stelt dat [verweerder] deze informatie heeft verzwegen, maar [verweerder] stelt dat hij [eiser] hiervan weldegelijk voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst op de hoogte heeft gesteld.”
3.Beoordeling van het cassatiemiddel
onderdeel 2.1richten zich niet tegen het door het hof gehanteerde beoordelingskader, maar tegen de wijze waarop het hof daaraan toepassing heeft gegeven. Dit klachten zien naar mijn mening in de kern op kwesties die als feitelijk van aard ter beoordeling aan het hof zijn overgelaten. Voor de Hoge Raad is dan nog slechts de taak overgelaten te beoordelen of het hof daarbij van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan en zijn oordelen naar behoren heeft gemotiveerd.
Subonderdeel 2.1-I onder aklaagt dat het hof daarmee miskent, dat de kern van [eisers] betoog was dat [verweerder] wist dat Rijkswaterstaat voornemens was te
onteigenenomdat de percelen nodig waren voor een
verbreding van de A12, dat Rijkswaterstaat hem
in dat kader een bodhad gedaan, en dat hij [eiser] van dit alles niet op de hoogte heeft gesteld (subonderdeel 2.1-I onder a/a.1). De te beperkte lezing die het hof aan de stellingen van [eiser] heeft gegeven ligt volgens het subonderdeel ten grondslag aan de oordelen in rov. 3.6 en 3.7.
subonderdeel 2.1-I onder a/a.1en de klacht over een te beperkte lezing van de stellingen [eiser] van
subonderdeel 2.1-I onder a/a.2.
subonderdeel 2.1-I onder a/a.1 (laatste alinea), onder b, onder cin de kern dat onbegrijpelijk is hoe het hof uit het feit dat Rijkswaterstaat een bod heeft gedaan, heeft kunnen afleiden dat [eiser] begreep dat dit bod was gedaan in het kader van de verbreding van de A12 en de mogelijkheid van een onteigening. Het middel wijst erop (i) dat [eiser] voor de percelen een miljoen meer betaalde, (ii) dat [verweerder] garandeerde dat de percelen niet betrokken waren bij een ruilverkaveling/herinrichting noch onteigenend zouden worden en (iii) dat uit de mededeling zoals te vinden in de aantekeningen van mr. Van Meer niet volgt dat sprake was van een op handen zijnde onteigening, zeker niet omdat tijdens de comparitie door mr. Plattel is verklaard dat mr. Van Meer toen niet van de brief van Rijkswaterstaat van mei 2007 op de hoogte was.
subonderdeel 2.1-I onder a/a.1 (laatste alinea), onder b, onder caf.
Subonderdeel 2.1-I onder dbevat een veegklacht en deelt hetzelfde lot.
onder aslechts een voortbouwende klacht en
onder b(deels voortbouwende) klachten die variëren op reeds besproken klachten. Het subonderdeel faalt daarom.
subonderdelen 2.2.1 en 2.2.2dat het hof het in eerste aanleg en in hoger beroep door [eiser] gedane beroep op de waarheidsplicht van art. 21 Rv Pro heeft miskend. [eiser] heeft zich erop beroepen dat (reeds hierom) de grieven van [verweerder] hadden moeten falen en subsidiair dat het hof een beslissing had moeten nemen die hem geraden voorkwam. [eiser] heeft zich dus expliciet op de waarheidsplicht van art. 21 Rv Pro beroepen en gemotiveerd aangegeven dat en waarom de stellingnamen van [verweerder] zó ongeloofwaardig en met elkaar in tegenspraak zijn dat daaraan geen geloof moet worden gehecht. Het hof had volgens het onderdeel niet ongemotiveerd aan deze stelling voorbij mogen gaan, en beroept zich onder meer op de arresten Goosen/Goosen en Stecon/Roerink. [12] De consequentie van het oordeel van het hof is dat art. 21 Rv Pro feitelijk een dode letter wordt, aldus het onderdeel.