Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
in beginselzwaarwegend genoeg acht, zal hij vervolgens ook omstandigheden aan de zijde van de alimentatieplichtige, waaronder diens draagkracht, in de beoordeling moeten betrekken [12] .
a prioridat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in de in alinea 2.6 aangehaalde rechtspraak. Het hof heeft de mogelijkheden onderzocht die de vrouw, gelet op haar leeftijd, gezondheidstoestand, arbeidsverleden en achtergrond, redelijkerwijs heeft gehad om zich in de periode van twaalf jaar (oktober 1999 - 2011) aan te passen aan de nieuwe situatie. Daarbij heeft het hof niet uit het oog verloren dat de vrouw kort vóór haar 65e verjaardag is gescheiden: uit de bestreden beschikking blijkt niet dat het hof van de vrouw heeft verwacht dat zij inkomsten uit betaald werk zou verwerven. In de redenering van het hof beschikte de vrouw in dit tijdvak over een (inkomen uit arbeid vervangende) uitkering in de vorm van een WAO-uitkering en later een uitkering ingevolge de AOW. Het hof is van oordeel dat de vrouw niet alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar kon worden gevergd om zich aan de nieuwe situatie aan te passen. In reactie op de discussie of de AOW-uitkering voldoende is om zelfstandig (d.w.z. zonder alimentatie) in haar levensonderhoud te kunnen voorzien, heeft het hof mede in aanmerking genomen dat de vrouw gedurende periode van twaalf jaar een gedeelte van haar toenmalige inkomsten (bestaande uit de WAO- resp. AOW-uitkering plus alimentatie) had kunnen reserveren voor de periode na het verstrijken van de twaalf jaar. Weliswaar heeft een alimentatieuitkering in het algemeen een consumptief karakter, maar voor zijn oordeel heeft het hof mede van belang geacht de omstandigheid dat de zoon de woonlasten van de vrouw betaalde. Het betoog van de vrouw dat een tijdvak van twaalf jaar te kort is om door besparingen een noemenswaardig ouderdomspensioen op te bouwen, neemt volgens het hof niet weg dat zij langs deze weg wel had kunnen zorgen voor een substantiële aanvulling op haar AOW-uitkering. Volgens het hof is niet gesteld noch gebleken dat zij dit op enigerlei wijze heeft gedaan [14] . Ten aanzien van de door de vrouw gestelde financiële lasten, waaronder medische kosten, heeft het hof geoordeeld dat niet is gebleken dat (en hoe) zij haar financiële lasten heeft aangepast, bijvoorbeeld via de door de man in zijn verweerschrift in hoger beroep als mogelijkheid genoemde kortingen en tegemoetkomingen. De waardering van deze omstandigheden is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. De redengeving is niet onbegrijpelijk.
onder 13 en 16dat het hof miskent dat de omstandigheid dat de stiefzoon haar woonlasten betaalde niet van (doorslaggevend) belang is. Integendeel, het hof had volgens de vrouw hieruit kunnen afleiden dat de alimentatie kennelijk onvoldoende was afgestemd op haar behoeften. Bovendien mag deze omstandigheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet in het nadeel van de vrouw worden uitgelegd, omdat de zoon óók de huur van de man betaalt.
in beginseltot het oordeel komt dat de beëindiging van de alimentatie voor de vrouw zo ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. De subsidiaire motiveringsklacht faalt: zoals gezegd gelden in ‘nieuwe gevallen’ geen verhoogde motiveringseisen voor een afwijzing.