Conclusie
F.W.E. Eijsvogels
Swiss-typeclaims voor de behandeling van borstkanker. EP 573 openbaart de specifieke formulering van conclusie 30 van EP 138. In de kern gaat het er net als in kort geding ook in deze bodemzaak om of sprake is van inventiviteit in het licht van de publicaties van Howell (de
closest prior art) en McLeskey (waarin een fulvestrant-formulering is beschreven). De inventiviteit is in navolging van partijen beoordeeld met behulp van de
problem solution approach.
incentive, maar juist een contra-indicatie vormt voor de gekozen oplossing van het objectieve technische probleem. Het hof heeft de nietigverklaring van EP 138 en EP 573 daarom afgewezen.
recallen de schadevergoeding niet toewijsbaar zijn. Volgens mij zijn al deze klachten tevergeefs voorgesteld.
“Fulvestrant formulation”dat is gebaseerd op een aanvrage van 8 januari 2001 onder inroeping van prioriteit van 10 januari 2000 althans 12 april 2000. De oorspronkelijke conclusie 1 van EP 138 was een productconclusie die een specifieke formulering van fulvestrant onder bescherming stelde, terwijl de oorspronkelijke conclusie 22 gericht was op gebruik van die formulering voor de behandeling van borstkanker. Na een oppositie, waarin het hierna in 1.10 te bespreken McLeskey-document aan de orde is gekomen, zijn de conclusies gewijzigd in tweede medicatie
Swiss-typeclaims [2] . De in deze zaak relevante gewijzigde conclusies van EP 138 luiden als volgt (in de onbestreden Nederlandse vertaling):
“prior art”) van de octrooien EP 138, EP 573 en NL 075 behoren:
“Castor oil as a vehicle for parenteral administration of steroid hormones”van Riffkin et al. (hierna: “Riffkin”).
“selective therapy of perimenopausal or postmenopausal conditions”. In voorbeeld 3 wordt als anti-oestrogeen de stof fulvestrant genoemd. In dat voorbeeld wordt een formulering voor intramusculaire toediening in ratten beschreven die bestaat uit 50 mg van de
“test compound”(= fulvestrant), 400 mg benzylalcohol en voldoende castorolie om de oplossing op een volume van 1 ml te brengen (dus: 50 mg fulvestrant in 1 ml castorolie, hetgeen hetzelfde is als 250 mg in 5 ml).
“Pharmacokinetics, pharmacological and anti-tumour effects of the specific anti-oestrogen ICI 182780 in women with advanced breast cancer”(hierna: “Howell”).
“Tamoxifen-resistant Fibroblast Growth Factor-transfered MCF-7 Cells Are Cross-Resistant In Vivo to the Antiestrogen ICI 182,780 and Two Aromatase Inhibitors”(hierna: “McLeskey”). In dit document wordt de in EP 138 geclaimde formulering volledig vermeld, dus met inbegrip van de onder 1.5 in (iv) en (v) genoemde onderdelen daarvan, zie de volgende passage uit dit document:
recallen vernietiging van inbreukmakende producten) en schadevergoeding op te maken bij staat.
het vinden van een formulering waarbij 250 mg fulvestrant kan worden opgelost in 5 ml castorolie”, zoals de OD (in EP 573) tot uitgangspunt heeft genomen. Echter, niet in geschil is dat het in dat geval goed mogelijk is om een formulering te vinden die een oplossing vormt van deze korte probleemstelling, terwijl die formulering niet de in het octrooi geclaimde (en reeds in Howell geopenbaarde) effecten heeft en, kort gezegd, niet werkt. Met andere woorden, een formulering kan een geschikte oplossing van voornoemde probleemstelling vormen, terwijl deze niet voldoet aan alle relevante deelkenmerken van conclusie 30. Naar het oordeel van de rechtbank moet de als oplossing te vinden formulering dan ook niet alleen als technisch effect hebben dat 250 mg fulvestrant in 5 ml castorolie oplosbaar is, maar voldoet als juiste oplossing alleen een formulering die geschikt is voor de behandeling van borstkanker, omdat alleen die daadwerkelijk een oplossing vormt van het verschil tussen Howell en EP 138. Dit brengt mee dat met de technische effecten van de geschiktheid, rekening moet worden gehouden bij de formulering van het objectieve technische probleem.
“with no evidence of precipitation"; zie ook tabel 4, onderste gedeelte). De geschiktheid op het gebied van verdraagbaarheid in de probleemstelling (en daarmee voor de beoordeling van de inventiviteit) dient dan ook te worden beperkt tot het voorkomen van precipitatie.”
Productie EP45en
GP31) overweegt het Bundesgericht net als de rechtbank dat een probleemstelling waarin de bekende voordelige effecten niet zijn opgenomen, ten onrechte zou suggereren dat
elkefulvestrantformulering met de gewenste concentratie zou ‘werken’. Het Bundesgericht vindt daarom ook dat [de] deze effecten in de probleemstelling moeten worden opgenomen (even afgezien van het feit dat de rechtbank terecht niet ‘goede verdraagbaarheid’ in de probleemstelling opneemt omdat het octrooi enkel informatie geeft over precipitatie).
Productie EP37). Hoewel de Oppositie Divisie dus uitgaat van een probleemstelling waarin de bekende effecten
nietzijn opgenomen, laat de Oppositie Divisie het feit dat de vakman die bekende effecten wil behouden wel degelijk meespelen bij de beoordeling in Stap 3, alsof het bereiken van de effecten deel uitmaakt van het probleem. (…)”
recallen de schadevergoeding op te maken bij staat.
first-passmetabolisme van fulvestrant. Aangezien intramusculaire toediening (een injectie in de bil) voor de patiënt veel onplezieriger is dan een pil, moet het aantal injecties zo beperkt mogelijk blijven. Daarom moet de depotinjectieformulering een voldoende hoge dosis fulvestrant bevatten (250 mg per injectiespuit van 5 ml, het maximale volume dat destijds per injectie intramusculair mocht worden toegediend) en moet de afgifte aan het bloed voldoende vertraagd [te] gebeuren; er moet kortom een goed afgifte-profiel zijn. Verder dient precipitatie (neerslag van fulvestrant in vaste vorm) en irritatie (necrose) op de plaats van de injectie te worden voorkomen.”
problem solution approach” (“PSA”) en het hof volgt partijen hierin (rov. 4.1). De bewijslast van de gestelde nietigheid rust op Sandoz (rov. 4.2a). De vakman wist op de prioriteitsdatum dat voor het verkrijgen van een oplossing van 250 mg fulvestrant in 5 ml castorolie (“de 250F/5C-Verhouding”) co-solvents nodig waren (rov. 4.2b) en dat niet voor elke voor de 250F/5C-Verhouding geschikte formulering van co-solvents (“CS-Formulering”) gold dat deze niet zou precipiteren en/of tot een vertraagde afgifte zou leiden (rov. 4.2c). Bij welke CS-Formulering deze effecten zouden optreden, was op de prioriteitsdatum onvoorspelbaar (rov. 4.2c). Konijnenproeven hebben voorspellende waarde voor het afgifteprofiel van de formulering en de mate van precipitatie bij mensen (rov. 4.2d).
closest prior artis, omdat daarin niet is geopenbaard dat de beschreven CS-Formulering met de 250F/5C-Verhouding geschikt is voor de behandeling van borstkanker (rov. 4.3).
Guidelinesvan het EOB [5] is vermeld over het combineren van verschillende documenten uit de
prior art. Het gaat er naar het oordeel van het hof om of er voor de vakman in de relevante
prior art(Howell, McLeskey en de algemene vakkennis) een
prompting/recognisable incentive(hierna:
incentive) was om – ter oplossing van het Stap 2-Probleem in kwestie – McLeskey met Howell te combineren. Als zo’n
incentiveer niet is, zal de vakman de McLeskey-formulering ook niet gaan testen (rov. 4.8).
incentiveswaren om McLeskey met Howell te combineren. Het hof overweegt in dat verband allereerst:
incentiveom de daarin beschreven CS-Formulering te gaan toepassen of testen voor de oplossing van het Stap 2-Probleem in kwestie, maar wel een contra-indicatie. De in McLeskey beschreven CS-Formulering met de 250F/5C-Verhouding wordt alleen gebruikt in muizen en in het kader van een test of oestrogeen nog een rol speelt bij de groei van tumorcellen wanneer de eierstokken zijn verwijderd. Reeds deze omstandigheden zouden de vakman huiverig maken om McLeskey bij zijn zoektocht naar de oplossing van het Stap 2-Probleem te betrekken (rov. 5.1). Hierbij is meegewogen dat Sandoz niet heeft gesteld dat testen in muizen voorspellende waarde hebben voor het afgifteprofiel van een oplossing met de 250F/5C-Verhouding en de mate van precipitatie daarvan in mensen (rov. 5.2). Verder gaat het hof ervan uit dat het in McLeskey genoemde alcoholpercentage van 20 zo hoog is dat de vakman op de prioriteitsdatum het optreden van precipitatie zou verwachten. Dit is een contra-indicatie om de CS-Formulering van McLeskey in beschouwing te nemen als mogelijke (bijdrage aan de) oplossing van het onderdeel van het Stap 2-Probleem om een niet-precipiterende formulering te verkrijgen (rov. 5.4). Dat de in EP 138 vermelde gunstige effecten (niet-precipitatie en een goed afgiftepatroon) al bekend waren uit Howell vormt geen
incentiveom de oplossing te zoeken in de McLeskey-formulering. Onvoorspelbaar was namelijk welke CS-Formulering zou leiden tot die gunstige effecten (rov. 5.7).
prior artdus geen
incentiveom McLeskey toe te passen of te testen met het oog op de oplossing van het Stap 2-Probleem in kwestie (rov. 7.2). De vakman bevond zich ten opzichte van McLeskey evenmin in een
“try and see situation”. Daarvoor is vereist dat de vakman, gelet op de
prior art, al een bepaalde stof of groep van stoffen duidelijk in beeld had (
“clearly envisaged”). Dit kan niet worden gezegd, aangezien een
incentivevoor het toepassen of testen van McLeskey ontbrak en daarvoor zelfs een contra-indicatie bestond. Op het
squeeze-argument van Sandoz behoeft niet verder te worden ingegaan omdat in rov. 4.2 (d) al is geoordeeld dat konijnenproeven voorspellende waarde hebben voor het optreden van precipitatie en het afgifteprofiel bij mensen (rov. 7.4). Alles overziend moeten de maatregelen van de conclusies 1, 29 en 30 van EP 138 als inventief worden beschouwd (rov. 7.5).
recall-vordering van AstraZeneca, haar vordering tot het doen van opgave van afnemers en winst en haar vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat om de volgende redenen niet toewijsbaar geacht:
try and seehouding zou hebben aangenomen (onderdeel 2). Uw Raad heeft het beroep verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
2.Bespreking van het cassatieberoep
Het principaal cassatieberoep
“het verschaffen van een fulvestrant-formulering (in castorolie) die geschikt is voor het behandelen van borstkanker”. De rechtbank heeft partijen hierin gevolgd (rov. 4.21) en de probleemstelling daarna gespecificeerd (rov. 4.22-4.23). Dit betekent echter niet dat het hof op procesrechtelijke gronden zonder meer dezelfde probleemstelling als de rechtbank mocht gebruiken. Het hoger beroep heeft namelijk een herstelfunctie: partijen mogen nog van koers wijzigen en stellingen uit de eerste aanleg zijn alleen al daarom in appel niet zonder meer leidend [18] . Daar komt bij dat Sandoz, zoals zij in cassatie stelt (repliek in cassatie 10 (i), 11 en 20), mogelijk heeft bedoeld de alternatieve probleemstelling slechts subsidiair naar voren te brengen.
Coloplast/Medical4You [20] ben ik ingegaan op de inventiviteitstoets en de
problem solution approach. Ik zal de uitgangspunten voor de zelfstandige leesbaarheid van deze conclusie recapituleren (maar heb daar inhoudelijk niets aan toe te voegen).
Guidelines for Examination in the European Patent Office(verder
“Guidelines”) uit drie stappen [23] :
Guidelineswordt nader ingegaan op het bij vertrek vanuit de meest nabije stand van de techniek te formuleren objectieve technische probleem waarvoor de gemiddelde vakman zich geplaatst ziet, de middenstap in de PSA (zie G-VII.5.2). Daaruit blijkt dat het objectieve technische probleem moet worden vastgesteld aan de hand van het technische effect zoals dat blijkt uit de verschilmaatregelen die duidelijk worden door een vergelijking tussen het in het octrooi geclaimde en de meest nabije stand van de techniek [24] . In de standaardformulering van de
Boards of Appeal: “the technical problem has to be determined on the basis of objectively established facts, since for the determination of the objective technical problem, only the effect actually achieved vis-a-vis the closest prior art should be taken into account” [25] . Daarmee is echter niet gezegd dat punten van overeenstemming in geen geval deel uit kunnen maken van het objectieve technische probleem (zie ook hierna 2.21).
Lundbeck/Tiefenbacher [27] en
Leo Pharma/Sandoz [28] niet gehouden. De PSA is volgens mij, zo al sprake is van recht in de zin van art. 79 RO Pro, hoogstens
soft law [29] .De beoordeling van de inventiviteit van een uitvinding is in belangrijke mate verweven met waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet op juistheid toetsbaar zijn [30] .
onderdeel Iaheeft het hof miskend dat de inventiviteit van een octrooi dient te worden beoordeeld aan de hand van , en gerechtvaardigd dient te zijn door, datgene wat het octrooi toevoegt aan de stand van de techniek. Verder wordt erop gewezen dat de inventiviteit van het octrooi moet corresponderen met, en gerechtvaardigd dient te zijn door, het monopolie zoals geclaimd door de octrooihouder. Het objectieve technische probleem, zoals door het hof geformuleerd, zou de octrooihouder volgens de klacht belonen voor iets dat hij
niettoevoegde aan de stand van de techniek. In haar s.t. onder 1-2 en 70 betoogt Sandoz dat zo’n beloning in strijd is met de essentie van het octrooirecht, namelijk dat bescherming wordt verleend in ruil voor een bijdrage aan de stand van de techniek. Zij wijst op het belang van het voorkomen van het Angorakat-fenomeen [31] en
red herringtechnieken [32] (s.t. onder 71).
“Niet in geschil is dat op de prioriteitsdatum algemeen bekend was dat de samenstelling van een formulering geen voorspellende waarde heeft voor het afgifte-profiel en de verdraagbaarheid. Dit moet altijd per formulering onderzocht worden.”Ook de andere klachten van onderdeel Ic zijn naar mijn mening vergeefs voorgesteld. Het hof heeft onder ogen gezien dat de verschillen tussen Howell en EP 138 alleen betrekking hebben op de fulvestrant-formulering (rov. 1k, derde aandachtsstreepje, laatste zin). Dit laat onverlet dat het hof mocht oordelen dat de positieve effecten uit Howell onderdeel zijn van het objectieve technische probleem. Ik verwijs naar de bespreking van subonderdelen Ia en Ib. De klacht die is geformuleerd voor het geval het hof heeft bedoeld dat Howell niet nawerkbaar is, lijkt mij feitelijk grondslag te ontberen. Dit oordeel heb ik in het arrest niet gelezen. Het hof heeft alleen de nawerkbaarheid van McLeskey en EP 138 beoordeeld (zie rov. 8.3).
“Het optreden van deze eenmalige bijwerkingen is verenigbaar met de bevinding dat de langwerkende, op castorolie gebaseerde formulering van fulvestrant die in Howell werd gebruikt, “lokaal goed werd verdragen op de plaats van injectie ondanks het grote volume (5 ml) dat werd toegediend” (zie pagina 303, “Bijwerkingen”). Ook deze “effecten” zijn dus bekend uit Howell en dienen dus niet in het probleem te worden opgenomen.”Hieruit mocht het hof dan ook de conclusie trekken dat Howell in de visie van Sandoz geen in het kader van de verdraagbaarheid relevante precipitatie leert. Bovendien heeft Sandoz geen belang bij haar klacht. In EP 138 wordt het effect “niet-precipitatie” beschreven (zie hiervoor 2.17). De gegrondheid van de klacht zou (kunnen) betekenen dat Howell dit effect niet leert. Wanneer Howell het aspect “niet-precipitatie” niet leert, en EP 138 wel, dan zou eens te meer gelden dat het aspect “niet-precipitatie” onderdeel vormt van het objectieve technische probleem.
terugbrengen(verlagen) van de hoeveelheid alcohol in de CS-Formulering, komende van 40% zoals reeds bekend in de stand van de techniek [47] en dat de Octrooien zelf stellen dat dezelfde resultaten verwacht kunnen worden bij hogere percentages alcohol dan getest in de Octrooien [48] .
incentivewas om McLeskey in de zoektocht te betrekken. Het hof heeft als onweersproken vastgesteld dat wanneer een CS-Formulering met de 250F/5C-Verhouding voor een groot percentage uit alcohol bestaat, zoveel van die alcohol wegdiffundeert dat fulvestrant in de castorolie achterblijft in een (oververzadigde) concentratie, zodat, normaal gesproken, fulvestrant neerslaat met precipitatie tot gevolg. Daarna heeft het hof de rapporten Crommelin I en II [50] (overgelegd door AstraZeneca) en het vijfde rapport van Vromans van 22 maart 2017 [51] (overgelegd door Sandoz) beoordeeld. Volgens het hof moet er met AstraZeneca vanuit worden gegaan dat het in de McLeskey-formulering genoemde alcoholpercentage van 20 zo hoog is dat de vakman op de prioriteitsdatum het optreden van precipitatie zou verwachten. Voor wat betreft het alcoholpercentage is dus de crux dat een relatief hoog percentage, zoals genoemd in McLeskey (20%), tegen de verwachting van de vakman op de prioriteitsdatum, niet leidt tot precipitatie.
‘vaak’ huid- of onderhuidaandoeningen optreden na toediening van Faslodex® en dat het niettemin een vergund en succesvol product is, waarvan men deze huidaandoeningen na toediening graag op de koop toeneemt in ruil voor behandeling van borstkanker [54] .
incentiveoplevert. In de laatste plaats valt niet in te zien waarom de bekendheid van de gunstige effecten uit Howell, zoals het hof in het bijzonder in rov. 5.4 overwoog, een contra-indicatie oplevert [56] .
incentivewas om de oplossing te zoeken in McLeskey. Zij betoogt in cassatie echter niet (voldoende gemotiveerd) dat het hof bij de andere aspecten van de inventiviteitsvraag zou hebben miskend dat de gunstige effecten “werking tegen borstkanker”, “niet-precipitatie” en “vertraagde afgifte” al bekend waren uit Howell. Aangezien het hof deze omstandigheid zowel in rov. 4.5-4.6 als in rov. 5.7 heeft benoemd, ligt het niet in de rede dat het hof hieraan bij de verdere beoordeling voorbij zou hebben gezien.
pointer-away). De contra-indicatie is volgens het hof dus niet gelegen in (de bekendheid van ) de gunstige effecten uit Howell.
“Op zich is het juist dat de vakman vooraf nietweetof hij die effecten zal krijgen. Het is immers niet te voorspellen in welke mate de formulering met deze oplosmiddelen zal precipiteren en ook weet de vakman niet zeker of de formulering de vertraagde afgifte geeft. Dat zal de vakman altijd moeten testen.”Rov. 5.4 gaat over het in McLeskey genoemde alcoholpercentage (20%). Na een weging van de standpunten van partijen en de rapporten van de partij-deskundigen concludeert het hof dat er met AstraZeneca vanuit moet worden gegaan dat de vakman op de prioriteitsdatum bij dit alcoholpercentage het optreden van precipitatie zou verwachten (zie hiervoor ook 2.38). Dat onvoorspelbaar was bij welke CS-Formuleringen “niet-precipitatie” en “vertraagde afgifte” optreedt, is niet onverenigbaar met het oordeel dat de vakman op de prioriteitsdatum zou verwachten dat precipitatie optreedt bij een alcoholpercentage van 20. Er bestaat zodoende volgens mij geen tegenstrijdigheid tussen rov. 4.2 (c) en 5.4.
recallen betaling van schadevergoeding (rov. 10.2).
recall(onder B4) en schadevergoeding op te maken bij staat (onder B8). Sandoz heeft als verweer gevoerd dat haar product niet op de markt is geweest omdat haar dit bij vonnis in kort geding van 27 juli 2016 was verboden [61] . Na het vonnis in de bodemzaak van 11 april 2018 heeft het kort geding zijn werking verloren. Sandoz heeft haar verweer niet aangevuld. Daarom moet er volgens AstraZeneca vanuit worden gegaan dat Sandoz geen verweer heeft gevoerd met betrekking tot de periode waarin de uitspraak in kort geding niet (langer) gold. AstraZeneca wijst erop dat zij bij CvA/CvE rec niet meer kon aanvoeren dan zij heeft gedaan, omdat de uitspraak in kort geding toen nog van kracht was, en dat het petitum B8 van de CvA/CvE rec duidelijk zag op de situatie dat het kort geding vonnis zijn kracht zou verliezen. Tot slot doet zij een beroep op stellingen uit de gedingstukken in het incident ex art. 223 Rv Pro [62] . Hieruit blijkt van een herinschrijving van Fulvestrant Sandoz in de G-standaard per 2018. Ook zou daaruit volgen dat Sandoz niet heeft bestreden dat zij op 1 juni 2018 op de markt is gekomen.
In eerste aanlegheeft Sandoz het verweer gevoerd dat zij niet met haar Fulvestrant Sandoz op de markt is geweest, hetgeen AstraZeneca niet heeft weersproken (rov. 10.2, eerste zin). In
hoger beroepheeft AstraZeneca in het incident ex art. 223 Rv Pro aangevoerd dat zij er vanuit gaat dat Sandoz per 1 juni 2018 met haar fulvestrant de Nederlandse markt zou betreden. Het hof heeft die stelling onder ogen gezien, maar niet toereikend geacht, omdat AstraZeneca bij pleidooi in de hoofdzaak op 11 oktober 2018 niet heeft gesteld dat Sandoz daadwerkelijk met haar fulvestrant op de markt was (rov. 10.2, derde zin). In deze overweging ligt besloten dat AstraZeneca niet (voldoende gemotiveerd) heeft gesteld dat Sandoz met haar product op de markt is gekomen toen de uitspraak in kort geding door het wijzen van het vonnis in de bodemzaak op 11 april 2018 haar werking had verloren. Sandoz was in deze situatie niet gehouden om te betwisten dat zij haar fulvestrant in 2018 op de markt heeft gebracht.
onderdeel IIAvoert AstraZeneca aan dat het hof de afwijzing van de vordering tot schadevergoeding alleen baseert op de overweging dat Fulvestrant Sandoz niet op de markt is geweest. Het hof heeft daarbij volgens de klacht over het hoofd gezien dat ook andere inbreuken dan het op de markt brengen van het product, zoals het opnemen van het product in de G-standaard, tot schade kunnen leiden. Dit volgt onder meer uit Haagse appelrechtspraak [63] . AstraZeneca wijst in dit verband op haar stelling dat Sandoz octrooi-inbreuk heeft gemaakt door het laten opnemen van haar generieke fulvestrant-formulering in de G-standaard [64] en haar vordering in B8 van het petitum in reconventie om Sandoz te veroordelen tot het vergoeden van de schade door de inbreuk op het Europees octrooi. Sandoz heeft tegen deze vordering tot schadevergoeding wegens het opnemen in de G-standaard geen verweer gevoerd en het hof had die vordering daarom moeten toewijzen, aldus AstraZeneca.
Glaxo/Pharmachemiewas zodanige omzetschade ook gesteld. In onze zaak heeft AstraZeneca evenwel niet gewezen op stellingen waarin zij betoogt omzetschade te hebben geleden door de vermelding van Fulvestrant Sandoz in de G-standaard. De vraag is of dat gelet op de lage drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure wel mag worden verlangd in de omstandigheden van deze zaak. Ik denk het wel, maar dat is een beslispunt voor Uw Raad. Ik kan dat nog als volgt toelichten. Uitgangspunt in onze zaak in cassatie moet zijn dat Fulvestrant Sandoz niet op de markt is geweest. Dit betekent dat een eventuele schade er niet uit kan bestaan dat afnemers gekozen hebben voor Fulvestrant Sandoz in plaats van het product van AstraZeneca. Het ligt immers voor de hand dat afnemers hun bestellingen alsnog bij AstraZeneca hebben geplaatst toen bleek dat op de vermeldingen in de G-standaard geen introductie van Fulvestrant Sandoz volgde. Dat maakt de hiervoor bedoelde omzetschade al minder aannemelijk. De eventuele schade zou dan alleen kunnen zijn gelegen in een mogelijk prijsdrukkend effect ten gevolge van de vermelding in de G-standaard van Fulvestrant Sandoz, maar over zo’n mogelijk prijsdrukkend effect heeft AstraZeneca niets gesteld, terwijl dat in mijn optiek rechtens wel van haar mocht worden verlangd. In dat licht acht ik niet onbegrijpelijk dat AstraZeneca de mogelijkheid van schade naar het oordeel van het hof niet (voldoende) aannemelijk heeft gemaakt.
recallen betaling van schadevergoeding. Voor een
recallen opgave van afnemers en genoten winst is pas aanleiding als het product op de markt is gebracht. De vermelding in de G-standaard is in dit geval, om de in 2.61 genoemde redenen, ook onvoldoende voor toewijzing van een vordering tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat.
LMR Advocaten/LR Advocaten [68] moet ambtshalve worden beslist over de toewijsbaarheid en de hoogte van de proceskosten in IE-zaken. In het geval partijen overeenstemming hebben bereikt, pleegt overeenkomstig deze afspraak te worden beslist en zal de rechter slechts in uitzonderlijke gevallen ingrijpen [69] . Dit geldt ook in octrooizaken [70] . Sandoz en AstraZeneca hebben ieder op de voet van art. 1019h Rv vergoeding van de kosten in cassatie gevorderd. Zij hebben overeenstemming bereikt over de omvang van de hiervoor op de voet van art. 1019h Rv toe te schatten kosten. Deze afspraak houdt in dat de proceskosten (zowel bij vernietiging als bij verwerping) tot en met de repliek en dupliek worden begroot op € 70.000 in het principaal cassatieberoep en op € 20.000 in het incidenteel cassatieberoep (s.t. Sandoz onder 127 en s.t. AstraZeneca onder 100 en p. 23 onder “conclusie”). Volgens mij kan dienovereenkomstig worden beslist.