Conclusie
willing licenseegetoond en hebben onvoldoende onderbouwd dat het licentie-aanbod van Philips niet aan de FRAND-voorwaarden voldoet en dat hun tegenvoorstellen tijdens de procedure daaraan wel voldoen. Het beroep op art. 29 en Pro 36 Verordening Brussel I-bis wordt verworpen. Het inbreukverbod, de recall en de schadevergoeding/winstafdracht (op te maken bij staat) ten aanzien van EP 511 en EP 525 zijn toegewezen. EP 659 is nietig geacht wegens gebrek aan inventiviteit. De daarop gegronde vorderingen zijn daarom afgewezen.
synergiebestaat tussen maatregel i) en maatregelen ii) en iii) en dat er zodoende hier geen sprake is van enkele
juxtaposition. In geval van synergie hadden de maatregelen in het kader van de inventiviteitstoets
tezamenbeoordeeld moeten worden en niet louter afzonderlijk.
try and seesituatie zich voor als sprake is van een op zichzelf voor de hand liggende theorie, in die zin dat de gemiddelde vakman tot de betreffende theoretische oplossing zou zijn gekomen, en deze mogelijke maatregel zonder technische moeilijkheden kan worden getest. Volgens mij heeft het hof onvoldoende gemotiveerd dat op de prioriteitsdatum sprake was van een dergelijke voor de hand liggende theorie.
a radiocommunication system, method of operating a communication system, and a mobile station’ op basis van een internationale aanvrage van 9 november 2004 (gepubliceerd als WO 2005/048483). Hierbij is prioriteit ingeroepen van de Britse octrooiaanvrage GB 0326365 van 12 november 2003.
Code Divisional Multiple Access’ (CDMA) geïntroduceerd. In CDMA wordt voor de transmissies van en naar de verschillende mobiele stations gebruik gemaakt van dezelfde frequenties en dezelfde timeslots, en worden de kanalen van elkaar onderscheiden door gebruik te maken van verschillende codes. In CDMA wordt een kanaal (‘
channel’) dus gedefinieerd door de daaraan toegekende code. Elk mobiel station heeft (een) unieke code(s) die het mobiele station in staat stelt om alleen ‘te luisteren’ naar de transmissie(s) die voor dit MS is/zijn bestemd. Het komt erop neer dat door gebruik te maken van verschillende (sub)codes op dezelfde frequentie en in hetzelfde tijdslot verschillende soorten gegevens over verschillende kanalen aan één bepaald mobiel station kunnen worden verstuurd.
Third Generation Partnership Project’ (3GPP) specificaties ontwikkeld die zijn neergelegd in het met name in Europa toegepaste ‘
Universal Mobile Telecommunications System’ (UMTS). In UMTS wordt gebruik gemaakt van de CDMA-techniek. De UMTS-standaard bestaat uit verschillende technische specificaties (TS), waaronder TS 25.211. Versie V2.1.0 hiervan dateert van juni 1999. Deze versie wordt ook wel aangeduid als: Release 99.
Technical Specification Groups(TSG). 3GPP werkgroepen komen regelmatig bijeen voor het bespreken van voorstellen tot aanpassing van of aanvulling op de 3GPP standaard. De TSG-RAN Working Group 1 houdt zich met name bezig met layer 1 specificaties (zie hierna 1.11) van het UMTS-netwerk.
Physical Layer Standard for cdma2000 Spread Spectrum Systems, Release 0’(hierna: de 3GPP2-standaard of de CDMA2000-standaard) dateert van 15 juni 2001.
Operators Harmonization Group(OHG) opgericht met het oog op de harmonisatie van de UMTS- en de CDMA2000-standaarden.
channelisation code’) binnen CDMA wordt ook wel spreidingscode genoemd.
Chips’. Een chip is het kleinst mogelijke interval waarover het verzenden van gegevens plaatsvindt.
spreading code’) uit 8 chips die telkens worden herhaald. Dit is te zien in het repeterende patroon bij ‘
Spreading code’in figuur A.
Data’ in figuur A – wordt vermenigvuldigd met de spreidingscode. Het resultaat is een gespreid signaal (‘
Spread signal’ in figuur A). De ontvanger vermenigvuldigt vervolgens het ontvangen gespreide kanaal met diezelfde spreidingscode (die specifiek was voor het desbetreffende kanaal) en leidt daaruit weer het datasignaal af.
code tree’), waarbij, wanneer een mobiel station uitzendt met een code uit een bepaalde tak, de andere stations een code moeten kiezen uit een andere tak. Het aantal beschikbare kanalen met een bepaalde spreidingsfactor is gelijk aan de spreidingsfactor. Dus: er zijn bijvoorbeeld 16 codes beschikbaar bij SF = 16. De spreidingsfactor is altijd een macht van 2 (dus 4, 8, 16, 32, 64, 128, 256, 512, 1024 etc.). Dat vloeit voort uit de boomstructuur.
user information’ of ‘
user data’), dat zijn de gegevens die de gebruiker wil ontvangen of verzenden, waarbij het bijvoorbeeld kan gaan om het opvragen van een webpagina, het verzenden of ontvangen van een e-mail of het verzenden of ontvangen van spraak;
control information’ of ‘
control data’), waarbij het onder meer gaat om gegevens van het basisstation die het mobiele station nodig heeft om de aan dit MS verstuurde gebruikersgegevens goed te kunnen verwerken.
logical channels’, ‘
transport channels’ en ‘
physical channels’. De uit te zenden data en control signalen worden eerst in de hoogste lagen verwerkt en via de kanalen naar de lagere niveaus overgebracht en uiteindelijk op het fysieke niveau van de radio interface uitgezonden. Zie onderstaande figuur C:
physical channels(de laagste in de hiërarchie) voegen signalen toe met betrekking tot de fysieke bronnen van de verzending, zoals frequenties, codes en
power level. Tussen de logische kanalen, de transportkanalen en de fysieke kanalen is een overeenkomst tot stand gebracht (‘
mapping’) die er voor zorgt dat de gegevensverzending kan worden uitgevoerd in overeenstemming met de eisen die voor iedere laag in de hiërarchie zijn gedefinieerd.
in fine): besturingsgegevens over besturingskanalen (‘
control channels’, in de naamgeving van de kanalen weergegeven als: ‘C’ van ‘
control’, bijv. CCH = ‘
ControlCHannel’) en gebruikersgegevens via gegevenskanalen (‘
data channels’, in de naamgeving van de kanalen weergegeven als ‘D’ van ‘
data’, bijv. DCH).
Frame Error Rate’, afgekort FER) wordt dan te hoog. Als een signaal te sterk is dan gaat het, omdat binnen CDMA op dezelfde frequentie wordt uitgezonden, interfereren met andere signalen in de omgeving en kan het die andere signalen gaan ‘overschreeuwen’. Deze vermogensbesturing kan plaatsvinden in een gesloten lus. In een downlink gesloten lus (in een communicatiesysteem op de prioriteitsdatum) werkt dit als volgt:
signal to interference ratio’ (SIR) – van het ontvangen pilootsignaal (te sterk/te zwak?);
Transmit Power Control Command’ (TPC-commando), dit zijn instructies (bits) in de vorm van een ‘1’ of een ‘0’. Hiermee wordt het basisstation opgedragen het downlink transmissievermogen te verhogen of te verlagen;
slot' genoemd, welk begrip al eerder (o.m. onder 1.9) ter sprake is gebracht. Een slot in UMTS duurt dus 0,67 milliseconden. Vanwege de vaste
chip ratevan 3.84 miljoen chips per seconde, bestaat daarom elk slot uit het onder 1.9 al genoemde aantal van (3.84 miljoen : 1500 =) 2560 chips.
common channels’), waarover communicatie plaatsvindt tussen het basisstation en meerdere mobiele stations die alle bekend zijn met de code;
dedicated channels’), waarover de communicatie tussen het basisstation en één mobiel station plaatsvindt, bijvoorbeeld omdat de code alleen door dat mobiel station wordt gebruikt;
shared channels’, afgekort: SCH), dat is een variant van de dedicated channels, waarbij het kanaal telkens voor een bepaalde tijdsperiode (binnen één timeslot, zie hiervoor 1.4) wordt toegewezen aan een mobiel station, en dat dus beurtelings door de desbetreffende mobiele stations wordt gebruikt.
Downlink Dedicated Physical Channel’(DPCH) beschreven (de begrippen ‘
downlink’, ‘
dedicated’ en
‘physical’zijn besproken onder achtereenvolgens 1.3, 1.11 en 1.14 [2] ). Dit kanaal bestaat uit twee gedeelten:
Dedicated Physical Control Channel’ (DPCCH), dat
control informationdraagt; het treedt altijd in werking zodra radio contact tussen het basisstation en het mobiele station tot stand komt;
Dedicated Physical Data Channel’ (DPDCH), dat
user information(kortweg ‘data’) vervoert.
TSG-RAN Working Group 1 meeting 6van 13-16 juli 1999 is een voorstel van Nortel Networks (hierna: Nortel) besproken over ‘
An additional slot structure to support low bit rate services as a result of the harmonisation’ (hierna: Nortel 1). In Nortel 1 wordt – in relatie tot de implementatie van een bepaald type spraakverkeer, de EVRC (‘
Enhanced Variable Rate Codec’) – een voorstel gedaan voor de inrichting van het DPCH volgens TS 25.211 (zie hiervoor 1.16). In het hierna weergegeven deel van hoofdstuk 4 van Nortel 1 worden voor het DPCCH-deel vier slotstructuren als optie genoemd, die hierna zullen worden aangeduid als: de opties 1, 2, 3 en 4 van Nortel 1. In de hoofdstukken 1, 4 en 5 van Nortel 1 staat onder meer het volgende:
1. Introduction
4.Slot and frame structure for the support of EVRC in UTRA FDD
5.Conclusion
DL slot structure to support EVRC vocoder’ gedaan (hierna: Nokia/Nortel). Onder 4.3 ‘
Summary of proposal’ is het volgende opgenomen:
High Speed Packet Access’) protocol geïntroduceerd. De uplink-verzending is hierbij mogelijk via het ‘
High Speed Uplink Packet Access’ (HSUPA) protocol, de downlink-verzending via het ‘
High Speed Downlink Packet Access’(HSDPA) protocol. Achtergrond hiervan was dat gebruikers steeds meer gebruiksgegevens (bijvoorbeeld video’s) met hogere snelheid wilden kunnen downloaden vanaf het netwerk (dus in de downlink-richting). Teneinde die hogere dataoverdracht-snelheid te kunnen bereiken, zijn in het HSDPA-protocol een aantal nieuwe kanalen opgenomen, waaronder de ‘
High Speed Physical Downlink Shared Channel’ (HS-PDSCH). Dit is een
downlink shared channelvoor de transmissie van data van het basisstation naar het mobiel station. Het HSPDA-systeem bevatte daarnaast nog kanalen die al eerder, zelfs voor de komst van UMTS, waren gestandaardiseerd, zoals het ‘
common pilot channel’ (CPICH) (punt 18 CvA/CvE-rec). Onder HSDPA was een
downlink Dedicated Physical Channel(DPCH) nog wel steeds vereist om besturingsinformatie naar ieder mobiel station te sturen (o.m. punt 29 MvG). Omdat dit een dedicated kanaal was, gebruikte het een afzonderlijke code voor iedere individuele gebruiker. Dit werd inefficiënt geacht.
TSG-RAN Workinggroup 1, van 19-23 mei en 6-10 oktober 2003, met de aanduidingen R1-030546, R1-031073 en R1-031074 (hierna: Nortel-mei, Nortel-oktober en Nortel 2) is een voorstel gedaan ter oplossing van het zojuist aan het einde van 1.19 genoemde ‘
code limitation’probleem van HSDPA. Het voorstel hield in dat het downlink DPCH werd geconfigureerd als een fractioneel DPCH (kortweg: F-DPCH), fractioneel omdat het werd gedeeld door meerdere mobiele stations die dezelfde kanaalcode gebruiken op verschillende fracties van een tijdslot (o.m. punt 30 MvG). In deze bijdragen van Nortel (hierna gezamenlijk: de Nortel 2-Voorstellen) is hierover onder meer vermeld:
dedicated downlink physical channels’) is tabel 11 opgenomen. Deze tabel bevat gegevens over ‘DPDCH and DPCCH fields’ (zie hiervoor 1.16). Onder ‘DPCCH’ staan voor alle slotstructuren ten minste 2 pilootbits en 2 TPC-bits vermeld.
first power control commands’ / ‘
eerste vermogensbesturingscommando’s’. De TPC-commando’s die het basisstation aan het mobiele station verzendt in het kader van de uplink (opgaande) vermogensbesturing worden aangeduid als ‘
second power control commands’/ ‘
tweede vermogensbesturingscommando’s’. De pilootsignalen worden in EP 659 omschreven als bevattend vooraf bepaalde gegevenswaarden (§ 0003), TPC-commando’s als bevattend niet vooraf bepaalde gegevenswaarden (§ 0012).
system resources’) te verminderen.
Frequency Division Duplex’, FDD, zie § 0014) van UMTS. Gegeven een spreidingsfactor van 256 zijn er dan 10 symbolen per slot. Hierdoor kan één slot op geschikte wijze 2, 5 of 10 gebruikers ondersteunen met resp. 5, 2 of 1 symbool per TPC-commando.
control channel’, waarover de besturingsdata van het basisstation naar het mobiele station neergaand / ‘downlink’ worden verzonden, geen pilootsignalen worden getransporteerd. Het tweede hulpverzoek (ook: Hulpverzoek II) voegt daaraan toe de maatregel uit § 0033 om de spreidingsfactor van 256 toe te passen en de maatregel daaruit dat één slot 10 gebruikers kan ondersteunen met 1 symbool per TPC-commando, waarmee onder bescherming wordt gesteld dat een tweede TPC-commando uit slechts 1 symbool bestaat (punt 116 CvA-rec). Conclusie 1 conform Hulpverzoek II luidt – met door de rechtbank aangebrachte en door het hof overgenomen onderverdeling in kenmerken en met inachtneming van Philips’ formulering daarvan in hoger beroep (punt 10 MvG) – als volgt, waarbij de toegevoegde kenmerken van Hulpverzoek I en Hulpverzoek II respectievelijk zijn aangeduid met I (a, b) en II.
second statement' heeft verklaard dat de deskundige van Wiko, [betrokkene 2] ‘
correct (is) in stating that an increase in the spreadingfactor as such does not increase system efficiency(…)’.
are needed to allow the Fractional dedicated physical channel to be power controlled and allow DL synchronisation to be maintained by each UE’.
in fine) en dat het feit dat de vakman op grond van Nortel 1 wellicht de pilootbits uit het fractionele kanaal kon (‘
could’) schrappen, nog niet betekent dat hij dit – in strijd met de Nortel 2-Voorstellen/de stand van de techniek – ook zou (‘
would') doen.
Could-would approach' en 6 ‘
Combining pieces of prior art'het volgende vermeld:
(...) the point is not whether the skilled person could have arrived at the invention by adapting or modifying the closest prior art, but whether he would have done so because the prior art incited him to do so in the expectation of some improvement or advantage (...). Even an implicit prompting or implictely [lees: implicitly, A-G] recognisable incentive is sufficient to show that the skilled person would have combined the elements from the prior art' (...).
In the context of the problem-solution approach, it is permiss[i]ble to combine the disclosure of one or two documents, parts of documents or other pieces of prior art (e.g. a public prior use or written general technical knowledge) with the closest prior art. (...).
'1. Introduction', waarin is te lezen dat binnen de OHG een discussie heeft plaatsgevonden of er een minimum van 2 pilootbits in de DPCCH – het neergaande besturingskanaal(gedeelte) – moest zijn, of geen pilootbits en dat deze twee posities waren neergelegd in R1-99677
, 'Impact of OHG harmonization recommendation’en UTRA FDD waarnaar in noot 2 is verwezen (de Alcatel-bijdrage). In Nortel/Nokia is onder
‘4. Slot structure for support of EVRC’iets vergelijkbaars vermeld:
‘puncturing’te minimaliseren.
'Puncturing'houdt, zo volgt uit de punten 120 MvG en 21 PA-W, in dat gegevensbits worden weggelaten omdat daarvoor geen plaats is in het frame. Een lage
‘puncturing rate’betekent dus dat weinig gegevensbits behoeven te worden weggelaten. Het minimaliseren van de '
puncturing rate’ leidt tot meer ruimte voor gegevensbits (kortweg ‘databits’, zie rov. 1.2.h [punt 1.11 van deze conclusie, A-G]) en dus tot een lagere ‘puncturing rate’ en daarmee tot een efficiëntere inrichting van het neergaande kanaal (vgl. punt 114 MvA). Optie 1 heeft van de 4 opties de meeste beschikbare databits, namelijk 270 bits per frame in de DPDCH en de minste besturingsbits, namelijk 30 per frame, en is daarmee het meest efficiënt ingericht. Ter vergelijking: optie 4 heeft slechts 210 databits per frame en maar liefst 90 besturingsbits per frame. Omdat het minimaliseren van het aantal besturingsbits en het bijgevolg lagere niveau van
‘puncturing’tot een meer efficiënte inrichting van het neergaande kanaal leidt, draagt dit bij tot oplossing van het objectieve probleem uit de stand van de techniek om tot een meer efficiënte indeling van het neergaande fractionele besturingskanaal te geraken. De gemiddelde vakman zou daarom in de passage uit Nortel 1 dat optie 1
‘would be the most ideal if the objective is to minimize the level of puncturing’een
‘incentive’zien om de daarin voorgestelde mogelijkheid om geen pilootbits te gebruiken in aanmerking te nemen. Dat optie 1 in Nortel 1 uiteindelijk is verworpen wijst hiervan niet weg. De reden voor de verwerping van optie 1 is namelijk dat de schatting van de signaalkwaliteit met het enige overblijvende symbool (de 2 TPC-bits)
‘not that accurate’is (zie par. 4 van Nortel 1), doch dit ongunstige neveneffect vloeit niet zozeer voort uit het feit dat geen
pilootbits worden gebruikt, maar uit het feit dat dan te weinig bits aanwezig zijn om een toereikende SIR-meting te kunnen verrichten. Om dat neveneffect tegen te gaan hoeven niet noodzakelijkerwijs pilootbits te worden ingezet, dat kan ook worden bereikt met vergroting van bijvoorbeeld het aantal TPC-bits.
‘Conclusion’) wordt over deze opties het volgende opgemerkt:
viable' optie is, en daarmee dat pilootbits niet nodig zijn voor de vermogensbesturing in een neergaand besturingskanaal.
in fine[punt 1.13 van deze conclusie, A-G]);
common pilot channeldat blijkens de rovv. 1.2.p en q [punten 1.19 en 1.20 van deze conclusie, A-G] eveneens deel uitmaakte van de configuratie van de stand van de techniek. De synchronisatiefunctie zou de gemiddelde vakman er dan ook niet van hebben weerhouden om de pilootbits uit het neergaande besturingskanaal weg te halen. Wiko heeft hierop terecht gewezen in de punten 202-205 MvA en punt 45 PA-W.
'would') zijn gekomen in het fractionele neergaande besturingskanaal van de Nortel 2-Voorstellen geen pilootbits op te nemen.
'backwards comptability', daarvoor doorslaggevend waren:
'When considering the number of TPC and pilot bits dedicated to a given user, maximum backwards comptability should be targeted i.e when possible numbers derived from existing slot formats should be considered so that layer 1 synchronisation procedures and features as e.g. beamforming are not affected.
Radio Access Networks for UMTS'uit 2008 over een DPCCH uit TS 25.211 ten tijde van de prioriteitsdatum is vermeld dat
‘[b]oth pilot bits and TPC bits are mandatory within every time slot'. Om de in rov. 3.3.12 genoemde redenen kan Philips ook hieraan geen argument ontlenen.
'the voice data on the DPDCH'in punt 30 van de verklaring van Philips’ deskundige [betrokkene 4] van 30 augustus 2016.
‘puncturing’te minimaliseren, maar dat
‘if one wants to estimate the SIR for power control from the DPCCH, the estimate will not be that accurate with only one symbol (the TPC symbol)’. Zoals onder 3.3.8 al is besproken zijn bij par. 5 (
‘Conclusion’) van Nortel 1 de opties 2 en 3
‘acceptable’geacht. Aan het slot van die par. 5 staat vermeld dat '
[o]ther slot structures would be possible for that same SF and other SF, but would not be expected to support EVRC ultimately’. Onder deze
‘other slot structures'valt ook het slotformaat van optie 1. In dit licht moet voor juist worden gehouden de stelling van Wiko in punt 74 PA-W, dat voor de specifieke toepassing waar Nortel 1 op ziet (ondersteuning van een bepaald type spraakverkeer, EVRC) Nortel 1 de voorkeur gaf aan een slotformaat met 4 bits, maar dat voor andere toepassingen ook andere slotformaten denkbaar zijn, met de kanttekening dat het specifieke spraakverkeer daarover dan misschien niet mogelijk is. Als zodanig is deze stelling door Philips niet weersproken, en in punt 60 PA-P heeft zij deze zelfs onderschreven, althans in zekere zin.
‘fractional dedicated physical channel'(F-DPCH) waarover alleen besturingsinformatie wordt verzonden, zie o.m. de zin
‘The fractional dedicated channel can thus be seen as sharedpower controlchannel i.e. one code is shared between different users to carrypower control and pilot bits’uit die Voorstellen. Over het F-DPCH van de Nortel 2-Voorstellen worden, anders gezegd, geen gebruikersdata verzonden.
incentive’om de 2 bits-optie in beschouwing te nemen voor een neergaand kanaal waarover niet tevens gebruikersdata-verkeer plaatsvindt. Zoals Wiko in punt 75 PA heeft aangevoerd zal de gemiddelde vakman daarom nagaan of de overwegingen in Nortel 1 om optie 1 te verwerpen – namelijk dat een SIR-meting op 2 bits onvoldoende is in het geval dat over het kanaal in kwestie tevens gebruikersdata worden verstuurd – ook opgaan voor een neergaand fractioneel kanaal waarover geen gebruikersdata worden verzonden. Door Philips is niet betwist dat het hierbij om een ‘routineklusje’ gaat – Wiko spreekt over ‘een middagje excellen’ – waarvan de uitkomst is dat een 2-bits meting in een neergaand fractioneel kanaal zonder gebruikersdata geen probleem oplevert (vgl. punt 60 van Philips’ PA-P).
‘incentive’bevatte.
Court of Appealeen beslissing in stand gelaten waarin het Engelse deel van EP 659 nietig is geacht wegens gebrek aan inventiviteit [3] . Het oordeel komt erop neer dat het weglaten van de pilootsymbolen niet inventief is. Belangrijk is om daarbij op te merken dat het tweede hulpverzoek in deze parallelle Engelse zaak
nietvoorlag en dat daarom de verschilmaatregelen i) en iii) (spreidingsfactor van 256 en de SIR-meting op 2 bits)
nietin de beoordeling zijn betrokken.
Bundespatentgerichtconclusie 1 van het tweede hulpverzoek van het Duitse deel van EP 659 geldig geacht [4] . Ook het Bundespatentgericht is tot het oordeel gekomen dat dat weglaten van de pilootsymbolen niet inventief is. De spreidingsfactor van 256 en de SIR-meting op 2 bits zijn wel inventief geacht.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
Sandoz/AstraZeneca(kort geding) [7] ,
Coloplast/Medical4You [8] en
Sandoz/AstraZeneca(bodemprocedure) [9] ).
could) maar of hij volgens het in de aanvrage geopenbaarde inzicht zou hebben gehandeld (
would) [16] . Hierbij wordt gelet op aanwijzingen in de stand van de techniek (
pointers), die de vakman op een voor de hand liggende wijze richting de geoctrooieerde oplossing van het objectieve technische probleem sturen (
positieve pointersof
incentives) of daar juist van weg voeren (
pointers-away) [17] . Ook een
implicitly recognisable incentivekan voldoende zijn om te concluderen dat de gemiddelde vakman elementen uit de stand van de techniek zou hebben gecombineerd [18] . Een beoordeling met kennis achteraf (
hindsight bias) moet zoveel mogelijk worden voorkomen [19] .
reasonable expectation of success) geïntroduceerd. Dit houdt in dat een uitvinding niet alleen voor de hand ligt wanneer – uitgaand van de stand van de techniek en geconfronteerd met het objectieve technische probleem – de resultaten van het handelen dat nodig is om te komen tot de uitvinding volstrekt voorspelbaar of zeker zijn, maar ook wanneer er een redelijke verwachting van succes bestaat voor zo’n uitkomst als geclaimd [20] .. De toets aan de maatstaf redelijke verwachting van succes wordt echter niet aangelegd wanneer de praktische realisatie van een op zichzelf voor de hand liggende theorie geen technische moeilijkheden met zich brengt en dat ook geldt voor eventueel uit te voeren testen. De reden hiervoor is dat de gemiddelde vakman in dergelijke gevallen liever zal nagaan of zijn theorie werkt dan dat hij de theorie laat voor wat het is omdat het niet zeker is dat de theorie werkt. Er wordt dan aangenomen dat de gemiddelde vakman een
try and seehouding aanneemt en dat kan dan inventiviteit ontnemen aan een geclaimde vinding [21] .
a combination of features(combinatie-uitvindingen) [22] . Van een combinatie-uitvinding is sprake bij een samenstel van maatregelen waarvan het gecombineerde technische effect groter is dan de som van de individuele delen. Er moet dus een synergetisch effect zijn [23] . De combinatie-uitvinding moet worden onderscheiden van een
mere aggregation/
juxtaposition of features. Dat onderscheid is van belang bij de inventiviteitstoets. Een combinatie-uitvinding moet als geheel worden beoordeeld en kan zelfs inventief zijn als de verschillende maatregelen ieder op zich voor de hand liggend zijn [24] . Bij een
aggregation/
juxtaposition of featureswordt daarentegen per deelprobleem bekeken of de oplossing als inventief kan worden beschouwd. Daarvoor is dan nodig dat de oplossing voor ten minste één deelprobleem niet voor de hand liggend wordt geacht [25] .
secondary indicia [26] voor inventiviteit noemen de Guidelines
long time attempting or long-felt need [27] : “Where the invention solves a technical problem which workers in the art have been attempting to solve for a long time, or otherwise fulfils a long-felt need, this may be regarded as an indication of inventive step.” Een ander
secondary indiciumdoet zich voor wanneer sprake is van het overwinnen van een technisch vooroordeel [28] .
Lundbeck/Tiefenbacher [30] en
Leo Pharma/Sandoz [31] niet gehouden. De PSA is volgens mij, zo al sprake is van recht in de zin van art. 79 RO Pro, hoogstens soft law [32] . De beoordeling van de inventiviteit van een uitvinding is in belangrijke mate verweven met waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet op juistheid toetsbaar zijn [33] . Ook Uw Raad benadrukt dat de inventiviteit niet met kennis achteraf (“hindsight”) mag worden beoordeeld [34] .
eerste onderdeelgeen doel treft.
die combinatieop het relevante tijdstip voor de vakman voor de hand lag.
subonderdelen 2 en 4heeft het hof uit het oog verloren dat de systeemruimte/-capaciteit in de uitvinding moeten worden vergeleken met dezelfde systeemruimte/-capaciteit in Nortel 2. In dat kader wordt gerefereerd aan de stellingen (a) dat het effect van alle verschilmaatregelen tezamen een
drievoudige verbeteringis: dezelfde systeemruimte biedt plaats aan twee kanalen met 10 gebruikers in plaats van één kanaal met 6 gebruikers in Nortel 2 (MvG 59-60 en Pltn HB Philips 19) en (b) dat slechts sprake is van een (bijna) tweevoudige verbetering als alleen de maatregelen ii) en iii) worden toegepast (één kanaal met 10 gebruikers in plaats van één kanaal met 6 gebruikers in Nortel 2) (MvG 101).
he [ [betrokkene 2] ] is incorrect in suggesting that the gain in system efficiency is only achieved by the number of users per channel, i.e. by modifying the slot structure. Both aspects (spreading factor and slot structure) must be taken into account when assessing system efficiency.”
efficiëntie (capaciteit) van het gehele systeem, maar alleen naar de efficiëntie (capaciteit) van één kanaal en dat het hof verschilmaatregel i) niet bij de (her)formulering betrekt. Gewezen wordt op de stelling dat verbetering van de systeemefficiëntie (capaciteit) wordt bepaald door de “gain” (het aantal extra gebruikers dat met dezelfde systeemruimte kan worden bediend) (verklaring [betrokkene 1] , par 10-13 en 16 en MvA 70). Tot slot wijst Philips erop dat niet relevant is dat één van de verschilmaatregelen afzonderlijk beschouwd “geen enkele bijdrage” levert aan het op te lossen probleem, zoals het hof over verschilmaatregel i) (vast)stelt, als die maatregel
in combinatiemet andere verschilmaatregelen wel technisch effect heeft.
mere aggregation/junxtaposition of featuresdie elk afzonderlijke deelproblemen oplossen en dus afzonderlijk moeten worden beoordeeld (s.t. onder 35 en 63 en pleitnota in cassatie 42).
enerzijdshet ontstaan van meer systeemruimte in één specifiek neergaand fractioneel kanaal door het opnemen hierin van uitsluitend TPC commando’s bestaande uit 1 TPC symbool (2 bits) (en dus niet de volgens Nortel 2 noodzakelijke pilootbits) waardoor meer gebruikers van dat ene kanaal gebruik kunnen maken (i.e. 10 in plaats van maximaal 6), en
anderzijdshet verdubbelen van het aantal beschikbare kanaalcodes en daarmee van het aantal kanalen dat per cel als fractioneel kanaal kan worden gebruikt door het hanteren van een spreidingsfactor van 256 (in plaats van de spreidingsfactor van 128 resp. 64 in Nortel 2). Tegenover de maximaal 6 gebruikers van het fractionele kanaal in Nortel 2, staan derhalve 2 x 10 gebruikers van het fractionele kanaal volgens de geoctrooieerde uitvinding.
enerzijdshet ontstaan van meer systeemruimte in één specifiek neergaand fractioneel kanaal door het opnemen hierin van uitsluitend TPC-commando’s bestaande uit 1 TPC symbool (2 bits) (en dus niet de volgens Nortel 2 noodzakelijke pilootbits) waardoor meer gebruikers van dat ene kanaal gebruik kunnen maken (i.e. 10 in plaats van maximaal 6), en
anderzijdshet verdubbelen van het aantal beschikbare kanaalcodes en daarmee van het aantal kanalen dat per cel als fractioneel kanaal kan worden gebruikt door het hanteren van een spreidingscode van 256 (in plaats van de spreidingscode van 128 resp. 64 in Nortel 2). Zoals hiervoor is toegelicht, staan aldus tegenover de maximaal 6 gebruikers van het fractionele kanaal in Nortel 2, 2 x 10 gebruikers van het fractionele kanaal volgens de geoctrooieerde uitvinding.”
tezameneen drievoudige verbetering ten opzichte van Nortel 2 opleveren (2 kanalen met 10 gebruikers in plaats van 1 kanaal met 6 gebruikers in Nortel 2) (MvG 59-60 en rov. 3.2.3). Verder heeft Philips naar voren gebracht dat
verschilmaatregelen ii) en iii) tezamenslechts een
tweevoudige verbeteringten opzichte van Nortel 2 opleveren (1 kanaal met 10 gebruikers in plaats van 1 kanaal met 6 gebruikers in Nortel 2) (MvG 59 en 101). Wiko heeft dat laatste bestreden: volgens haar is er bij het toepassen van verschilmaatregelen ii) en iii) tezamen ruimte voor 20 gebruikers in het kanaal (MvA 129). Het hof heeft de stellingen van Philips niet (expliciet en volgens mij evenmin impliciet) verworpen. In cassatie moet daarom veronderstellenderwijs worden uitgegaan van de juistheid van deze stellingen (hypothetische feitelijke grondslag) [38] . De juistheid van de stellingen van Philips zou meebrengen dat
synergiebestaat tussen verschilmaatregel i) en verschilmaatregelen ii) en iii), waarmee sprake is van een
combinatie-uitvinding(zie hiervoor 2.11) en geen
mere aggregation/juxtaposition of features. Bij die stand van zaken had het hof de verschilmaatregelen i), ii) en iii) in het kader van de inventiviteitstoets
tevens tezamenmoeten beoordelen en dat laatste is in mijn ogen niet voldoende kenbaar gedaan door het hof.
ook in samenhang met verschilmaatregelen ii) en iii)geen efficiency-verbeterend effect heeft, in die zin dat voor wat betreft de neergaande besturingsgegevens met dezelfde systeemruimte meer gebruikers kunnen worden bediend.
“as such”de efficiëntie van het systeem niet verbetert. Dat is hier in mijn ogen echter
besides the point, omdat in onze zaak in het kader van de inventiviteitstoets de verschilmaatregelen i), ii) en iii) tezamen moeten worden beoordeeld. Het vervolg op het citaat uit de verklaring van [betrokkene 1] , dat in subonderdeel 3 wordt aangehaald, duidt er volgens mij op dat hij de spreidingsfactor in combinatie met de beide andere verschilmaatregelen
welvan belang acht voor de efficiëntie van het systeem. Ik leid dat af uit de zin:
“Both aspects (spreading factor and slot structure) must be taken into account when assessing system efficiency”.
geen enkelefficiëntie-verbeterend effect heeft (rov. 3.2.6) en dat deze maatregel
geen enkelebijdrage levert aan de oplossing van het door Philips gestelde objectieve probleem, zodat de inventiviteit van Hulpverzoek II daarin niet kan zijn gelegen (rov. 3.2.8). De daarop gerichte klachten van onderdeel II slagen volgens mij dan ook.
onderdeel IIdoel treft.
Subonderdelen 8-11bestrijden het oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden uit paragraaf 6 van de Guidelines van het EOB (“
Combining pieces of prior art”) om Nortel 1 en Nortel 2 te combineren.
Subonderdelen 12-14betogen dat het hof verschilmaatregelen ii) en iii) ten onrechte separaat behandelt. Volgens
subonderdelen 15-16berust het oordeel van het hof op
hindsight.
Subonderdeel 17komt op tegen de conclusie die het hof heeft verbonden aan een passage uit het vonnis van de Engelse High Court in een procedure tussen Philips en Asus over EP 659 met betrekking tot hetgeen is verklaard door [betrokkene 3] (de deskundige van Philips in die procedure).
Combining pieces of prior art”) is voldaan. Het hof zou daarmee namelijk kennelijk bedoelen dat alleen aan Hoofdstuk VII, par. 6 sub iii is voldaan. Ook zou het hof miskennen dat het voldoen aan de gezichtspunten i-iii er niet zonder meer toe leidt dat de documenten mogen worden gecombineerd, maar slechts met zich brengt dat
de examinerdit in ogenschouw moet nemen (
“the examiner should also have regard to…”). Betoogd wordt verder dat het hof niet begrijpelijk heeft vastgesteld dat Nortel 1 en/of Nortel 2 tot de algemene vakkennis behoren, zoals par 6 sub iii eist. Tot slot voert het subonderdeel aan dat het hof uit het oog verliest dat Nortel 2 geen incentive bevat om in Nortel 1 de oplossing van het probleem te zoeken in een keuze voor de opties 1 en/of 3 en dat ook Nortel 1 zo’n incentive niet bevat [39] . Het hof zou in ieder geval niet (begrijpelijk) hebben vastgesteld dat Nortel 1 en/of Nortel 2 een incentive bevat om te kiezen voor een oplossing zonder pilootbits.
would be the most ideal if the objective is to minimize the level of puncturing” een
“incentive”zou zien om de daarin voorgestelde mogelijkheid om geen pilootbits te gebruiken in aanmerking te nemen en (2) dat daarvan niet weg wijst dat optie 1 in Nortel 1 is verworpen. Het hof is tot die slotsom gekomen omdat de vakman in de toelichting op optie 1 van Nortel 1 leest dat deze optie de voorkeur verdient als het doel is om het niveau van
puncturing(weglaten van gegevensbits omdat daarvoor geen plaats is) te minimaliseren en dat daarmee kan worden gekomen tot een efficiëntere inrichting van het kanaal, terwijl het geconstateerde neveneffect dat de schatting van de signaalkwaliteit
not that accurateis ook met bijvoorbeeld vergroting van het aantal TPC-bits kan worden tegengegaan (rov. 3.3.7).
subonderdeel 9wordt aangevoerd dat (zoals ook in de Guidelines is vermeld) de prioriteitsdatum beslissend is voor de beoordeling van de inventiviteit. Het subonderdeel wijst erop dat op die datum Nortel 2 de meest nabije stand van de techniek was, terwijl Nortel 1 dateerde van juli 1999 dat wil zeggen
4 jaarvoor de prioriteitsdag. Naar het subonderdeel betoogt, staat vast dat in de stand van de techniek na Nortel 1, waaronder in Nortel/Nokia en de UMTS-standaard (TS 25.211), ten tijde van de prioriteitsdatum uitdrukkelijk was gekozen voor de opties 2 en 4 en de opties 1 en 3 werden afgewezen. Volgens het subonderdeel werd dus (uitdrukkelijk) niet gekozen voor een optie zonder pilootbits, terwijl die pilootbits bovendien als noodzakelijk werden aangemerkt (rov. 3.3.2 en 3.3.13) en (dan ook) in Nortel 2 werden gehandhaafd.
backwards comptability) die bij de beoordeling van de inventiviteit geen gewicht in de schaal kunnen leggen. Voor wat betreft het tijdsverloop van vier jaar tussen Nortel 1 en de prioriteitsdag geldt dat het onderdeel faalt omdat niet wordt verwezen naar vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties waarin Philips dat tijdsverloop aan haar standpunt ten grondslag heeft gelegd.
common general knowledgetussen andere mogelijkheden (in casu de 4 in Nortel 1 beschreven opties) de oplossing van het in de dichtstbijzijnde stand van de techniek voorkomende probleem bevat. Betoogd wordt dat de Guidelines in dat geval in strijd zijn met het recht (respectievelijk de uitleg die het hof aan de Guidelines geeft in strijd is met het recht), omdat niet voldoende is dat de vakman deze oplossing kan kiezen (
“could”) maar sprake moet zijn van een reden waarom de vakman de oplossing zou kiezen (
“would”). Volgens het subonderdeel is dat in ieder geval zo wanneer het (zoals in casu) om stand van de techniek respectievelijk
common general knowledgegaat, dat die oplossing verworpen heeft en die verwerping uitdrukkelijk is gehandhaafd in de dichtstbijzijnde stand van de techniek.
“would”) zijn gekomen.
subonderdeel 14wordt deze klacht als volgt nader onderbouwd:
“not that accurate”SIR-meting kon worden opgelost door vergroting van het aantal TPC bits. Dat is echter geen in casu relevante oplossing en kan de vakman niet tot de uitvinding leiden, nu verschilmaatregel iii slechts 2 TPC bits bevat. De door het hof gesuggereerde oplossing wijst hiervan juist weg.
“viable”optie was ondanks de aanwezigheid hierin van de voor het neergaande besturingskanaal van de uitvinding irrelevante TFCI-bits, omdat uit Nortel 2 volgt dat ook 2 TPC symbolen (dus 4 TPC bits) gebruikt hadden kunnen worden (in plaats van 1 TPC- en 1 TFCI-symbool zoals in optie 3). Ook dat is echter geen in casu relevante oplossing en kan de vakman niet tot de uitvinding leiden, omdat verschilmaatregel iii slechts 2 (TPC) bits gebruikt.
hindsight bias.Het subonderdeel valt verder uiteen in acht sub-subonderdelen, genummerd 15a t/m 15h.
sub-subonderdeel 15 b)wordt opgekomen tegen rov. 3.3.6. Het hof overweegt daar:
“In Nortel 1 leest de vakman allereerst dat in de voorgestelde opties 1 en 3 het aantal pilootbits is gesteld op 0.”Volgens het subonderdeel maakt de klacht niet duidelijk waarin de vakman dat “allereerst” leest, terwijl opties 1 en 3 uit Nortel 1 in de stand van de techniek al lang daarvoor als oplossing waren verworpen. Betoogd wordt dat men bij een normale – niet hindsight – benadering tot de conclusie zou komen dat de vakman veeleer optie 2 in Nortel 1 in beschouwing zou nemen, te meer nu optie 2 in Nortel 1 als één van de voorkeursstructuren wordt gepresenteerd en het meest overeenkomt met de structuur van het fractionele besturingskanaal van Nortel 2. In dat verband citeert Philips het door haar gestelde in MvG 76-81 waarover het hof niets heeft overwogen en waarvan dus in cassatie kan worden uitgegaan.
“De reden voor de verwerping van optie 1 is namelijk dat de schatting van de signaalkwaliteit met het enige overblijvende symbool (de 2 TPC-bits) ‘not that accurate’ is (zie par. 4 van Nortel 1), doch dit ongunstige neveneffect vloeit niet zozeer voort uit het feit dat geenpilootbits worden gebruikt, maar uit het feit dat dan te weinig bits aanwezig zijn om een toereikende SIR-meting te kunnen verrichten. Om dat neveneffect tegen te gaan hoeven niet noodzakelijkerwijs pilootbits te worden ingezet, dat kan ook worden bereikt met vergroting van bijvoorbeeld het aantal TPC-bits.”
“Conclusion”) van Nortel 1 onomwonden gezegd dat een configuratie waarbij de SIR-meting zonder pilot bits plaatsvindt – dat is optie 3 – een
‘viable’optie is, en daarmee dat pilootbits niet nodig zijn voor de vermogensbesturing in een neergaand besturingskanaal. Optie 3 van Nortel 1 maakt gebruik van 1 TPC-symbool en 1 TFCI-symbool. In rov. 3.3.9 stelt het hof vast dat uit Nortel 2 volgt dat ook 2 TPC-symbolen in plaats van 1 TPC- en 1 TFCI-symbool gebruikt kunnen worden. Uit deze overwegingen blijkt dus dat de vakman duidelijk was dat het niet nodig was om pilootbits in te zetten om het neveneffect van een ontoereikende SIR-meting tegen te gaan en dat dit ook kan worden bereikt met vergroting van het aantal TPC-bits.
viable” optie is én dat daarmee pilootbits niet nodig zijn voor besturing in een neergaand besturingskanaal. Volgens de klacht staat dat laatste nergens en maakt het hof niet duidelijk waarom de vakman zonder meer tot die slotsom zou komen.
Conclusion”) van Nortel 1. Daarin staat:
“The two acceptable configurations would providea 2 symbol DPCCHto rely on to perform the measurement to support the power operation (…). It might well be that a TFCI is needed to indicate the speech rate and the presence of signalling, making the configuration 2 TFCI bits + 2 TPC bits + 0 pilot[optie 3 dus, A-G]
the only viable option for the support of EVRC. Therewould be no pilot bitand the SIR estimation would rely on the 2 bits TPC + 2 bits TFCI.” [onderstrepingen toegevoegd, A-G] Een DPCCH is een neergaand besturingskanaal (zie rov. 1.2.m en hiervoor 1.16). Het citaat noemt als
viable optioneen configuratie van 2 TFCI bits en 2 TPC bits zonder piloot bits. Daaruit mocht het hof opmaken dat de vakman na lezing van Nortel 1 zou begrijpen dat pilootbits niet nodig zijn voor een neergaand besturingskanaal.
sub-subonderdeel 15 e)neemt het hof in rov. 3.3.9 de volgende horde weg door het bezwaar te verwerpen dat optie 3 niet op Nortel 2 kan worden toegepast omdat deze optie ook 2 TFCI-bits voorschrijft. Het hof overweegt dat de vakman zou hebben onderkend dat:
Error! Reference source not found.van deze conclusie, A-G];
fractional dedicated physical channel’(F-DPCH) waarover alleen besturingsinformatie wordt verzonden, zoals onder meer blijkt uit de zin uit die Voorstellen:
“The fractional dedicated channel can thus be seen as sharedpower controlchannel i.e. one code is shared between different users to carrypower control and power bits.” Het hof mocht daarom tot de conclusie komen dat de vakman zou begrijpen dat Nortel 2 alleen besturingsinformatie bevat en dus geen gebruikersdata. Volgens mij is evenmin onbegrijpelijk dat de vakman volgens het hof zou hebben onderkend dat TFCI-symbolen alleen nodig zijn bij gebruikersdata. Philips heeft namelijk zelf aangevoerd dat het mobiele station met behulp van de TFCI-bits de datasnelheid van de gebruikersgegevens kan bepalen (zie de hiervoor in punt 1.13 weergegeven rov. 1.2j met verwijzing naar MvG p, 9, vtn 4). In onze zaak is de vakman gedefinieerd als een ingenieur op het gebied van telecommunicatietechnologie die in staat is de daarop betrekking hebbende standaarden te lezen, te begrijpen en toe te passen (zie hiervoor in 2.16-2.16), zodat het hof mocht aannemen dat de vakman de functie van TFCI-bits kende. De klacht dat de inventiviteitsredenering onbegrijpelijk zou zijn omdat het octrooi niet 4 TPC-bits maar 2 TPC-bits gebruikt, ketst erop af dat rov. 3.3.9 deel uitmaakt van de beoordeling van de inventiviteit van het weglaten van pilootbits (verschilmaatregel ii) afzonderlijk. De inventiviteit van het combineren van maatregelen ii) met de SIR-meting op 2 bits (maatregel iii) wordt in rov. 3.5.1 beoordeeld (zie hiervoor in 2.54).
would) kiezen voor die oplossing. Geklaagd wordt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de vakman (zonder
hindsight) optie 3 van Nortel 1 zou (
would) kiezen, terwijl dat betekende dat een optie werd gekozen die in de stand van de techniek na Nortel 1 niet meer werd toegepast en ook 4 jaar later in Nortel 2 door de vakman niet is geïmplementeerd, ondanks het feit dat de vakman volgens het hof toen onmiddellijk zou hebben onderkend dat het functionele besturingskanaal in Nortel 2 geen gebruikersdata bevatte en TFCI-bits alleen nodig zijn bij gebruikersdata en dus geen rol spelen bij het kanaal van Nortel 2.
‘would’) zijn gekomen om in het fractionele neergaande besturingskanaal van de Nortel 2-Voorstellen geen pilootbits op te nemen. Die motivering komt erop neer dat optie 1 van Nortel 1 de
puncturing rateminimaliseert – waarin de vakman een
incentivezou zien om de daarin voorgestelde mogelijkheid om geen pilootbits te gebruiken in aanmerking te nemen – en dat optie 3 van Nortel als een
viableoptie wordt aangemerkt, hetgeen betekent dat pilootbits niet nodig zijn voor de vermogensbesturing in een neergaand besturingskanaal. In rov. 3.3.9 behandelt het hof de tegenwerping van Philips in MvG 85 dat optie 3 van Nortel 1 tevens de in Nortel 2 niet voorkomende 2 TFCI-bits bevat. In dat kader mocht het hof volstaan met de beoordeling of dit een beletsel vormt voor de toepassing van optie 3. Het argument dat het weglaten van de pilootbits in de stand van de techniek na Nortel 1 niet meer werd toegepast, heeft het hof niet miskend, maar in rov. 3.3.12 behandeld en aldaar gemotiveerd verworpen. Voor wat betreft het tijdsverloop van vier jaar geldt dat de klacht faalt omdat niet wordt verwezen naar vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties waarin Philips dat tijdsverloop aan haar standpunt ten grondslag heeft gelegd.
reverse-engineeringoperatie die is gebaseerd op kennis van de uitvinding en berust op
hindsight.
pointer awayis voor de mogelijkheid om de pilootbits weg te laten (rov. 3.3.7) en evenmin voor een SIR-meting op 2-bits in een neergaand fractioneel besturingskanaal (rov. 3.4.6).
“de functie die de pilootbits hebben bij de DL-synchronisatie kunnen (…) worden vervuld door de pilootbits uit het common pilot channel dat blijkens de rovv. 1.2.p en q[punten 1.19 en 1.20 van deze conclusie, A-G]
eveneens deel uitmaakte van de configuratie van de stand van de techniek.”Geklaagd wordt dat het hof (wederom) niet aangeeft waaruit dat blijkt, respectievelijk waarom dat zo is.
common pilot channeldat eveneens deel uitmaakte van de configuratie van de stand van de techniek. Volgens het hof heeft Wiko daar terecht op gewezen in de punten 202-205 van haar MvA en punt 45 van haar Pltn HB. Het oordeel van het hof is dus op deze stellingname van Wiko gegrond. Het sub-subonderdeel wijst niet op een betwisting van de zijde van Philips, zodat het hof gezien art. 149 Rv Pro ook mocht uitgaan van de juistheid van deze stelling van Wiko.
would) kiezen voor die oplossing. Het hof motiveert onvoldoende dat de gemiddelde vakman (zonder
hindsight), ondanks de in rov. 3.3.12 genoemde stellingen van Philips, pilootbits uit het neergaande fractionele besturingskanaal zou weglaten.
‘would’) zijn gekomen om in het fractionele neergaande besturingskanaal van de Nortel 2-Voorstellen geen pilootbits op te nemen (zie hiervoor 2.73). In rov. 3.3.12 behandelt het hof twee tegenargumenten van Philips uit haar Pltn HB 41 en 42, te weten dat in het Nokia/Nortel-voorstel er uitdrukkelijk voor is gekozen om voor EVRC ook in de opties 1 en 3 pilootsymbolen op te nemen en dat het gebruik in het neergaande kanaal van pilootbits niet alleen in de Nortel 2-Voorstellen, maar ook in de UMTS-standaard uit september 2003 is gehandhaafd. Bij de bespreking van die tegenargumenten mocht het hof volstaan met de beoordeling of dit een beletsel vormt voor de toepassing van opties 1 en 3.
‘viable’optie is (rov. 3.3.8). Rov. 3.3.12 maakt deel uit van de beoordeling van uitsluitend verschilmaatregel ii) in rov. 3.3.1-3.3.14. Het gaat hier dus niet om de beoordeling van de verschilmaatregelen gezamenlijk (daarop ziet rov. 3.5.1). Anders dan het subonderdeel aanvoert, lees ik in punt 49 van Philips’ Pltn HB niet de stelling dat de aanwezigheid van additionele pilootbits naast een in het kanaal opgenomen TPC-symbool de nauwkeurigheid van de SIR-meting verbetert (zie in die zin ook s.t. Wiko onder 136). Er wordt daar aangevoerd dat een SIR-meting op 2 bits (zoals in optie 1 van Nortel 1) niet nauwkeurig genoeg is. In zoverre mist de klacht dus feitelijke grondslag.
andere conclusie, waarvan
verschilmaatregel iii) geen deeluitmaakte. Betoogd wordt dat het in de Engelse zaak in feite ging om het eerste hulpverzoek dat Philips in hoger beroep bij het hof heeft ingetrokken (zie rov. 3.3.1) en dat dus niet langer relevant is.
derde onderdeelongegrond.
subonderdelen 18, 22, 25 en 26is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden en is het oordeel daarom in strijd met art. 24 Rv Pro. De
subonderdelen 19, 20, 21, 23en
24bestrijden de overwegingen van het hof met betrekking tot hetgeen de vakman uit (de verwerping van) optie 1 van Nortel 1 zou begrijpen.
Subonderdelen 27-33betogen dat het hof niet (begrijpelijk) heeft vastgesteld dat aan de voorwaarden voor een
try and seehouding is voldaan.
In de tweede plaatsis het derde argument van Philips gebaseerd op de onjuiste premisse dat Nortel 1 het gebruik van enkel 2 TPC bits categorisch van de hand zou wijzen. Het tegendeel is waar. Nortel 1 openbaart de optie van enkel 2 TPC-bits, en leert de vakman nu juist dat vanuit een oogpunt van capaciteit het gebruik van deze optie de voorkeur geniet (zie hiernaast).
Subonderdelen 18 en 25treffen dus geen doel.
incentivebevatte om de 2 bits-optie in beschouwing te nemen voor een neergaand kanaal waarover niet tevens gebruikersdata-verkeer plaatsvindt. Dit zou niet gesteund worden door, en in tegenspraak zijn met, de partijstandpunten en de verklaringen van de deskundigen, waaronder Wiko’s expert [betrokkene 2] . In dat kader wordt erop gewezen dat Nortel 1 alleen vermeldt dat de 2 bits-optie niet geschikt voor EVRC en niet dat dit voor alle gebruikersdata geldt, laat staan dat dit anders ligt voor kanalen met besturingsdata.
subonderdelen 22 en 26zijn mijns inziens ook ongegrond.
incentivebevatte om de 2 bits-optie in beschouwing te nemen voor een neergaand kanaal waarover niet tevens gebruikersdata-verkeer plaatsvindt, is volgens mij eveneens feitelijke basis. Die overweging vindt steun in punt 75 van Wiko’s Pltn HB (zie hiervoor in 2.94), waarnaar het hof in rov. 3.4.6 verwijst. Wiko heeft daarin namelijk aangevoerd dat de vakman op zijn minst zou nagaan of de overwegingen in Nortel 1 om optie 1 niet voor spraakverkeer te kiezen, ook opgaan voor het fractionele kanaal waarover geen spraak (zijnde, zo vul ik aan, een vorm van gebruikersdata (rov. 3.4.3)) wordt verzonden en dat dit een routineklus (letterlijk niet meer dan een middagje “Excellen”).
“Conclusion”) van Nortel 1 dat
“[o]ther slot structures would be possible for that same SF[spreading factor, A-G]
and other SF, but would not be expected to support EVRC ultimately.”Het hof overweegt dat onder deze
“other slot structures”ook het slotformaat van optie 1 valt.
Subonderdeel 20acht mede in dat licht onjuist of onbegrijpelijk dat onder “
other slot structures” ook het slotformaat van optie 1 valt. Geklaagd wordt dat het hof niet duidelijk maakt waarom de vakman dit zou begrijpen, nu optie 1 uitdrukkelijk is verworpen in Nortel 1 en nergens in Nortel 1 staat dat deze optie alsnog in andere gevallen kan worden toegepast.
Subonderdeel 21is gericht tegen de overweging in rov. 3.4.6 dat de gemiddelde vakman in optie 1 van Nortel 1 zal lezen dat daarin het gebruik van 2 bits voor een SIR-meting als mogelijkheid is geopperd, maar is verworpen voor ondersteuning van EVRC/gebruikersdata. Het subonderdeel acht onbegrijpelijk waarom het hof van oordeel is dat de vakman uit Nortel 1 zou begrijpen dat de reden dat optie 1 is verworpen niet slechts opgaat voor de toepassing van EVRC (het onderwerp van Nortel 1) maar voor gebruikersdata in het algemeen.
Subonderdeel 23betreft de door het hof voor juist gehouden stelling van Wiko dat Nortel 1 voor de specifieke toepassing waarop zij ziet (EVRC-spraakverkeer) weliswaar de voorkeur geeft aan een slotformaat met vier bits, maar dat voor andere toepassingen ook andere slotformaten denkbaar zijn (Pltn HB onder 74). Volgens het subonderdeel is niet begrijpelijk hoe het hof in rov. 3.4.6 hieruit kan concluderen dat de vakman in Nortel 1 een incentive zal zien om optie 1 toe te passen wanneer alleen besturingsinformatie in het kanaal aanwezig is. Het subonderdeel betoogt dat deze stelling in de pleitnota van Wiko geen steun biedt voor de gevolgtrekkingen van het hof dat (1) de vakman zou begrijpen dat met
other slot structuresook de verworpen optie 1 van Nortel 1 is bedoeld en bovendien (2) de vakman zou begrijpen dat het probleem van een
not that accurateSIR-meting zich niet zal voordoen in een kanaal met alleen besturingsdata, en vervolgens in Nortel 2 (waarin in een kanaal met alleen besturingsdata een minimum van 4 bits werd voorgeschreven) twee bits zou toepassen
“other slot structures”ook de verworpen optie 1 van Nortel 1 valt. In de aangehaalde stelling wordt namelijk eerst gesproken over “een slotformaat met vier bits” en vervolgens over “andere slotformaten”, zijnde dus slotformaten die niet uit vier bits bestaan. Onder die “andere slotformaten” valt dan logischerwijs ook optie 1 van Nortel 1, dat immers een slotformaat van 2 bits kent. De andere overwegingen waar het Philips kennelijk om gaat berusten niet op Wiko’s Pltn HB onder 74. Ik doel dan op de overwegingen dat Nortel 1 een incentive bevatte om de 2 bits-optie in beschouwing te nemen voor een neergaand kanaal waarover niet tevens gebruikersdata-verkeer plaatsvindt, dat de vakman daarom zal nagaan of de overwegingen in Nortel 1 om optie 1 te verwerpen ook opgaan voor een neergaand fractioneel kanaal waarover geen gebruikersdata worden verzonden en dat het hierbij gaat om een routineklus waarvan de uitkomst is dat een 2-bits meting in een neergaand kanaal zonder gebruikersdata geen probleem oplevert. Die overwegingen vinden hun grond in de stelling van Wiko’s Pltn HB onder 75 dat de vakman zou nagaan of de overwegingen in Nortel 1 om optie 1 te verwerpen ook opgaan voor het hier voorliggende fractionele kanaal en dat dit een routineklus (letterlijk niet meer dan een middagje “Excellen”) is. In zoverre mist het subonderdeel feitelijke grondslag.
Subonderdeel 24bestrijdt de slotzin van rov. 3.4.4 die inhoudt dat het gestelde in punt 74 van de pleitnota van Wiko door Philips niet is weersproken, en dat Philips deze stelling in punt 60 van haar Pltn HB zelfs heeft onderschreven, althans in zekere zin. Het subonderdeel acht deze verwijzing onbegrijpelijk omdat deze paragraaf uit de pleitnota van Philips niet kan worden gelezen als een ondersteuning van de door het hof gevoerde redenering.
Subonderdelen 27-33zijn gericht tegen de twee slotzinnen van rov. 3.4.6. Daarin is overwogen (i) dat de vakman zal nagaan of de overwegingen in Nortel 1 om optie 1 te verwerpen ook opgaan voor een neergaand fractioneel kanaal waarover geen gebruikersdata worden verzonden en (ii) dat door Philips niet is betwist dat het hierbij om een routineklusje gaat – Wiko spreekt over “een middagje excellen” – waarvan de uitkomst is dat een 2 bits meting in een neergaand fractioneel kanaal zonder gebruikersdata geen probleem oplevert.
Subonderdelen 27-29vormen alleen een inleiding en bevatten geen klacht.
Subonderdeel 30formuleert de volgende uitgangspunten. Voordat de vakman geacht wordt enige test te doen, moet sprake zijn van een redelijke verwachting op succes (indien de testen relatief complex zijn) of (indien de testen relatief simpel zijn) een
try and seehouding. Voor een
try and seehouding is wel noodzakelijk is dat de vakman een bepaalde theorie of een bepaald inzicht met betrekking tot de uitvinding heeft, die de vakman wil bevestigen door een (routine)test [46] .
subonderdeel 31heeft het hof niet (begrijpelijk) vastgesteld dat de vakman een redelijke kans op succes had, dan wel dat in casu aan de voorwaarden voor een
try and seehouding was voldaan, en met name niet dat de vakman op de prioriteitsdatum al tot het inzicht was gekomen waarop de in het octrooi beschermde uitvinding berust. De (veronderstelde) kennis van de vakman dat optie 1 van Nortel 1 was verworpen omdat in Nortel 1 gebruikersdata was opgenomen en dat het fractionele kanaal van Nortel 2 alleen besturingsdata bevat, zou niet zo’n theorie of inzicht zijn. Die feitelijke vaststelling betekent namelijk niet dat de vakman dus het inzicht zou hebben gehad dat het niet werken van optie 1 in Nortel 1 het gevolg is van de in het kanaal aanwezige gebruikersdata, en dat dus anders dan in Nortel 2 wordt geleerd, in een fractioneel besturingskanaal wel met 2 bits kon worden volstaan.
Subonderdeel 32voegt daaraan toe dat ook Wiko en [betrokkene 2] niet hebben aangetoond dat een dergelijke theorie respectievelijk inzicht op de prioriteitsdatum bestond en voor de vakman voor de hand lag [47] . In plaats daarvan stelde [betrokkene 2] (en Wiko) dat optie 1 wel werkte, ook met gebruikersdata, en dat de gestelde onnauwkeurigheid van de meting met betrekking tot optie 1 van Nortel 1 gecompenseerd zou worden door de diverse door hen genoemde mechanismen [48] en ook overigens geen invloed had op de gebruikersdata in de DPCH vanwege de foutcodering en
interleavinghiervan [49] . De theorie respectievelijk het inzicht dat aan de uitvinding ten grondslag lag, namelijk dat de 2 bits SIR-meting niet werkte voor de DPCH in Nortel 1 maar (in tegenstelling tot wat Nortel 2 zelf suggereert [50] ) wel voor het fractionele besturingskanaal in Nortel 2, is altijd door [betrokkene 2] en Wiko verworpen [51] . Zij hebben tijdens de procedure tot het laatste moment ook niet gesteld dat de bedoelde theorie niet inventief was. Het subonderdeel verwijst tot slot naar de volgende overweging in rov. 3.4.6 “(…) [de gemiddelde vakman zal]
nagaan of de overwegingen in Nortel 1 om optie 1 te verwerpen – namelijk dat een SIR-meting op 2 bits onvoldoende is in het geval dat over het kanaal in kwestie tevens gebruikersdata worden verstuurd – ook opgaan voor een neergaand fractioneel kanaal waarover geen gebruikersdata worden verzonden.”Volgens het subonderdeel bevestigt die overweging dat het hier gaat om een “schot in het duister” en een
“could”in plaats van
“would”benadering die onvoldoende is om een
try and seehouding te kunnen rechtvaardigen.
Subonderdeel 33bestrijdt rov. 3.4.7. Aangevoerd wordt dat het hof de lijst van negatieve pointers, weergegeven in rov. 3.4.2, niet inhoudelijk heeft behandeld, maar eenvoudigweg verwijst naar rov. 3.4.6 en 3.4.1-3.4.5. Daarmee zou het hof op een onjuiste of onbegrijpelijke wijze hebben geoordeeld over inventiviteit, aangezien het hof die negatieve pointers volgens het subonderdeel bij de beoordeling in rov. 3.4.6 (bijvoorbeeld waar het gaat om het aannemen van een
incentiveen van een
try and seehouding) in ogenschouw had moeten nemen. Verder bevat subonderdeel 33 nog de zuiver voortbouwende klacht dat rov. 3.4.7 onjuist of onbegrijpelijk is om de eerder in middelonderdeel IV genoemde redenen.
try and seehouding voldoende is dat de vakman in de stand van de techniek een aansporing vindt om een bepaalde aanpak in de stand van de techniek te proberen [52] (s.t. 194 en 198) en dat naar vaste rechtspraak van de technische kamers van beroep de essentie van een
try and seesituatie is dat de vakman voor eenvoudige experimenten geen enkele succesverwachting nodig heeft [53] (s.t. 200).
try and seesituatie voordoet zoals bedoeld in de Guidelines.
try and seesituatie doet zich voor wanneer (1) sprake is van een op zichzelf voor de hand liggende theorie, in die zin dat de vakman tot de betreffende theoretische oplossing zou zijn gekomen (
“had already clearly envisaged”) en (2) zonder technische moeilijkheden kan worden getest of met deze maatregel het gewenste effect wordt bereikt. Voor een
try and seesituatie is niet nodig dat een redelijke verwachting van succes bestaat (zie ook hiervoor 2.10). Dit alles blijkt uit nr. I.D.7.2 van het boek Case Law 2019 (eerste twee alinea’s):
incentivebevatte om de 2-bits-optie in aanmerking te nemen voor een neergaand kanaal waarover niet tevens gebruikersdata-verkeer plaatsvindt. De kernvraag is of het oordeel, zo gelezen, de cassatietoets kan doorstaan. Voor een bevestigend antwoord op die vraag pleit dat het hier gaat om een feitelijke waardering die in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Daar staat tegenover dat het hof ter motivering van zijn oordeel met betrekking tot de
incentivefeitelijk alleen heeft overwogen dat de verwerping in Nortel 1 van de 2 bits-optie uitdrukkelijk is gekoppeld aan de omstandigheid dat het daarbij ging om een kanaal met spraak-/gebruikersdata. Die vaststelling lijkt mij onvoldoende om zonder verdere motivering te kunnen concluderen dat de vakman een SIR-meting op 2 bits voor een neergaand fractioneel kanaal waarover geen gebruikersdata worden verzonden als theoretische oplossing in beeld had. De subonderdelen 27-32 treffen daarom naar mijn mening doel voor zover zij erover klagen dat volgens het hof is voldaan aan de voorwaarden voor
try and see.
subonderdelen 27-33 van onderdeel IV (grotendeels) gegrondzijn en dat de overige subonderdelen van onderdeel IV tevergeefs zijn voorgesteld.
Onderdeel Vmeent dat rov. 3.5.1-3.5.3 onjuist respectievelijk onbegrijpelijk zijn om de redenen die zijn uiteengezet in de middelonderdelen I t/m IV.
Onderdeel VIbevat de klacht dat uit het voorafgaande volgt dat ook rov. 3.7.1-3.7.2 en het dictum van het arrest onjuist en/of niet (voldoende) begrijpelijk zijn en dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven.
onderdeel II slaagt en dat onderdeel IV deels doel treft.
Onderdelen V en VI slagen voor zover zij op de gegronde klachten voortbouwen. De overige onderdelen acht ik ongegrond. Het (gedeeltelijk) slagen van onderdelen II, IV, V en VI brengt volgens mij mee dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven. Na verwijzing zal de inventiviteit van maatregel iii) en de combinatie van maatregelen i), ii) en iii) (opnieuw) beoordeeld moeten worden.