Conclusie
3.De eerste drie middelenklagen over de motivering van de bewezenverklaring.
14.Het eerste middelfaalt.
tweede middelklaagt over de begrijpelijkheid van de motivering van het medeplegen. In het bijzonder zou de begrijpelijkheid van die motivering ontbreken als reactie op het door de verdediging ‘uitdrukkelijk onderbouwde verweer’.
17.Het tweede middelfaalt.
derde middelklaagt over de begrijpelijkheid van het medeplegen van voorbedachte raad en leidt nu ook hier de bewoordingen ‘uitdrukkelijk onderbouwd verweer’ worden gebruikt aan hetzelfde euvel als het tweede middel. Ook hier zal ik het middel desondanks bespreken.
20.Het derde middeltreft geen doel.
vierde middelklaagt kennelijk over de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verklaringen van de getuige [betrokkene 1] dienen te worden uitgesloten van het bewijs wegens onbetrouwbaarheid waarbij het Hof bovendien niet in aanmerking heeft genomen dat verdachte niet bij het verhoor van de getuige aanwezig was en de getuige zich op onderdelen heeft beroepen op het verschoningsrecht.
26.Het vierde middelfaalt.
vijfde middelklaagt over de strafmotivering. Een drietal gedragskundige rapportages waarop het Hof bij het bepalen van de straf heeft gelet zouden zich niet in het strafdossier bevinden en daarmee zou de motivering van de straf onbegrijpelijk zijn.
- Een rapport van psychiatrisch onderzoek, opgemaakt op 15 november 2010 door drs. M.R. Weena, psychiater
- Een rapport van psychologisch onderzoek, opgemaakt op 9 november 2010 door drs. M.J. Spaans, GZ-psycholoog
- Een rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie opgemaakt op 31 mei 2011 door M.G. van der Meer, GZ-psycholoog i.o., R.J.P. Rijnders, psychiater en P.A.E.M.T. Cremers, GZ-psycholoog.
bij de Hoge Raad der Nederlanden