Conclusie
tweede middelklaagt over beslissingen van het Hof inzake het horen van de getuige [betrokkene 5]. Het Hof zou de getuige ten onrechte niet hernieuwd hebben opgeroepen althans ten onrechte of ontoereikend gemotiveerd hebben afgezien van de oproeping of hernieuwde oproeping van de getuige, een en ander in strijd met het bepaalde in art. 287, derde lid sub b, Sv en 288, eerste lid, Sv.
Mijn brief van 30 mei 2012 aan de raadsheer-commissaris geeft mijn standpunt weer met betrekking tot de getuigen [betrokkene 5] en [betrokkene 6]. Ik vind het betreurenswaardig dat het nog enige tijd kan duren voordat de getuige [betrokkene 5] gehoord kan worden maar deze getuige is van eminent belang voor de zaak van mijn cliënt. Zijn verklaring zou wel degelijk een ander licht kunnen werpen op de zaak. Het betreft hier een ex-medeverdachte die van groot belang is. Het Duitse recht is in deze een weerspiegeling van het Nederlandse recht, hetgeen betekent dat deze getuige zich niet voor alle vragen op zijn verschoningsrecht kan beroepen. De verdediging persisteert derhalve bij beide getuigen en verzoekt om deze na elkaar te horen.’
Om die reden heeft de raadsheer-commissaris beslist de getuige [betrokkene 5] niet te zullen horen.
De getuige [betrokkene 6] is op 7 september 2012 te Aken gehoord.’
derde middelbehelst de klacht dat het Hof in zijn arrest niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het ter terechtzitting uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte geen draagkracht heeft aan betalingsverplichtingen die voortvloeien uit schadevergoedingsmaatregelen te voldoen.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de vorderingen van de benadeelde partijen, gelet op het bepaalde in artikel 26 van Pro de Faillissementswet, op geen andere wijze ingesteld kunnen worden dan door deze ter verificatie aan te melden bij de curator. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de benadeelde partijen [A] B.V., [betrokkene 1], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] in hun vorderingen in deze strafzaak niet kunnen worden ontvangen.
Het gestelde faillissement is bij de beoordeling van een individuele vordering benadeelde partij, gelet op het hiervoor onder E4 overwogene, een bepalend gegeven. Dat bepalende karakter heeft het naar het oordeel van het hof niet bij de vraag ofwel of niet een schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.
vierde middelbehelst de klacht dat Het Hof heeft verzuimd in zijn arrest op te nemen dat de verdachte is gekweten van zijn plicht tot schadeloosstelling van het slachtoffer indien en voor zover hij aan de schadevergoedingsmaatregel heeft voldaan.
vijfde middelbehelst de klacht dat het Hof ten onrechte ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat bij de verdachte het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling ontbreekt omdat hij de verwachting had de betalingen van de beleggers te kunnen terugbetalen.
zesde middelbehelst de klacht dat het Hof een verklaring van de verdachte tot bewijs heeft gebezigd terwijl het een onderdeel van die verklaring onaannemelijk heeft geacht.