Conclusie
eerste middelricht de pijlen rechtstreeks op de conclusie van het Hof dat carbon black een afvalstof is en valt uiteen in vier bezwaren. De bezwaren richten zich tegen de bewezenverklaring (onder 12), enkele bewijsoverwegingen (onder 13) en de aanvulling met bewijsmiddelen (onder 14).
eerste bezwaarbestaat hierin dat volgens de steller van het middel uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de oorspronkelijke houder zich van de onderhavige partijen carbon black heeft ontdaan. Uit de bewijsmiddelen volgt dat er door [F] via Sita carbon black is afgevoerd vergezeld van een PMV-document (afvalgeleidingsbrief) naar [betrokkene] aan de [c-straat] in Deurne. [betrokkene] sloeg de stof op in een door hem van verdachte gehuurde bedrijfsruimte. De carbon black blijft achter nadat het huurcontract is beëindigd. Hoewel het middel ruim is toegelicht, slaag ik er niet in te ontwaren waarom de steller ervan van oordeel is dat niet uit de bewijsmiddelen volgt dat [F] zich heeft ontdaan van een afvalstof. In overweging D3 heeft het Hof het juiste criterium aangelegd en in D9 ligt niet onbegrijpelijk besloten dat de bij [F] afgevoerde stof werd aangemerkt als een afvalstof. Het kwam dus bij [betrokkene] omdat [F] zich er met behulp van Sita van wilde ontdoen.
tweede bezwaaris dat het Hof bij de vraag of verdachte zich van een afvalstof heeft ontdaan niet alle relevante omstandigheden heeft betrokken. Als hier relevante omstandigheden worden aangemerkt: de stof is het resultaat van een bewust productieproces met als beoogd product carbon black; het gaat om carbon black met een A-status (hoogste kwaliteitseis); er is een reguliere markt voor de stof aanwezig; de stof heeft een positieve markwaarde; de stof is niet aan bederf onderhevig bij de juiste opslag (waarvan sprake was); er bestond aantoonbaar interesse van derden voor de stof; de stof was zonder bewerking bruikbaar; de lange duur van de opslag is geen contra-indicatie, omdat het niet ongebruikelijk is om zo te speculeren op prijsstijging.
derde bezwaaris dat bij de vaststelling of sprake is van een afvalstof de nadruk moet liggen op de houder. Hij moet zich van de stof ontdoen, voornemens zijn zich te ontdoen of verplicht zijn zich te ontdoen. Het Hof heeft, aldus de steller van het middel, “een te ruime uitleg aan het begrip ‘houder’ gegeven en de daaruit voortvloeiende verplichting zich van de carbon black te ontdoen.” Zoals bij de bespreking van het tweede bezwaar al naar voren kwam, heeft het Hof het accent sterk op het begin van de keten gelegd en is dat niet onjuist of onbegrijpelijk. Voor zover het bezwaar inhoudt dat het Hof heeft vastgesteld dat verdachte verplicht is zich te ontdoen van de stof, mist dit feitelijke grondslag. Het Hof heeft onder D11 vastgesteld dat verdachte (ik voeg toe: als houder) voornemens was zich te ontdoen van de afvalstof door deze te verkopen. Ik kan daarin geen te ruime uitleg van het begrip ‘houder’ lezen, terwijl het Hof niet heeft vastgesteld dat op verdachte een verplichting rustte.
vierde bezwaartegen het aanmerken van carbon black als afvalstof is gestoeld op een recent arrest van het HvJ EU, aangeduid als het Shellarrest. [11] Dat arrest is volgens de steller van het middel bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. [12] Ik volsta, mede gelet op het standpunt van de steller van het middel, dat van een bevestiging sprake is met de weergave van het Shellarrest in de beslissing van de Afdeling:
eerste middelgeen doel treft.
tweede middelricht zich tegen overweging D13 van het Hof, waarin het Hof in antwoord op hetgeen is verwoord op de pagina’s 12 t/m 14 van de aan het proces-verbaal van de zitting van het Hof gehechte pleitnota, heeft beslist dat carbon black geen bijproduct is.
derde middelklaagt over schending van de redelijke (inzend)termijn. Op 26 april 2013 is beroep in cassatie ingesteld en de stukken van het geding zijn op 28 april 2014 door de griffie van de Hoge Raad ontvangen, zodat de redelijke inzendtermijn met vier maanden is overschreden. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.