Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof een innerlijk tegenstrijdig arrest heeft gewezen. De steller van het middel doelt op de passage waarin het hof overweegt dat de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 2] hebben geweten of minst genomen de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de geldbedragen van misdrijf afkomstig waren. Deze passage zou niet te rijmen zijn met de omstandigheid dat het hof niet bewezen heeft geacht dat de mededader(s) van de verdachte wist(en) dat de geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf.
tweede middelbevat de klacht dat het hof ontoereikend heeft gemotiveerd dat de verdachte met (voorwaardelijk) opzet heeft gehandeld. Voor de bewezenverklaring van opzet is volgens de steller van het middel meer nodig dan het hebben van twijfels. Voorts wordt geklaagd dat het hof twee niet-redengevende verklaringen van de verdachte tot het bewijs heeft gebezigd.
- en in bewijsmiddel 8: “Ik heb op het moment dat ik het deed, niet stilgestaan bij wat ik deed. Achteraf gezien had ik dat wel moeten doen. Het was makkelijk geld verdienen. Ik had wel twijfels, maar ik heb me niet teruggetrokken.”
derdemiddel behelst de klacht dat het hof ten onrechte de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen en de daarmee samenhangende schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd, althans dat het hof deze beslissingen, mede in het licht van het namens de verdachte gevoerde verweer, ontoereikend heeft gemotiveerd.