Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof de bewezenverklaring van het tenlastegelegde wat betreft de oplichting van [betrokkene 4] (incident 14) uitsluitend heeft doen steunen op de verklaringen van één getuige.
als verklaring van [betrokkene 1]:
als verklaring van [betrokkene 3]:
als verklaring van [betrokkene 3]:
als verklaring van [betrokkene 5]:
als relaas van verbalisanten:
als verklaring van [betrokkene 2]:
als relaas van verbalisanten:
als verklaring van [betrokkene 4]:
als relaas van verbalisant:
als verklaring van verdachte:
als verklaring van verdachte:
als verklaring van verdachte:
tweede middelbehelst de klacht dat het hof het bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als oplichting, meermalen gepleegd, nu de bewezenverklaarde feitelijkheden die inhouden dat verzoeker zich door de verkopers heeft laten informeren over de fietsen en/of heeft aangegeven te willen overleggen met zijn echtgenote en/of een proefrit wilde maken en/of als onderpand een polstasje heeft afgegeven niet opleveren het bewegen tot afgifte van die fietsen door het aannemen van een valse naam of valse hoedanigheid of listige kunstgrepen als bedoeld in art. 326 Sr Pro.
derde middelkeert zich tegen de beslissing van het Hof tot onttrekking aan het verkeer van een aantal inbeslaggenomen voorwerpen.
“Beslag
BESLISSING
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
vierde middelklaagt dat sprake is van strijd met art. 6 EVRM Pro, nu het proces in de fase van hoger beroep zodanig lang heeft geduurd dat de redelijke termijn als bedoeld in het eerste lid van dat artikel is geschonden en het Hof ervan geen blijk heeft gegeven dat die overschrijding is meegewogen bij het bepalen van de strafmaat.