Conclusie
1.Procesverloop
2.Inleiding en kernpunten van de bestreden beslissing
3.Bespreking van het eerste onderdeel
“De omslagtige vormen, aan welke men bij den burgerlijken regter gebonden is, en het daardoor ontstaande verwijl, zouden eenen anderen weg verkiesselijk maken, indien hij te vinden ware. Spoed toch is het beginsel hetgeen dit geheele onderwerp beheerscht en beheerschen moet. Dit is het dadelijk gevolg van de voorwaarde, het aanwezen van algemeen nut. Geen wetgever, geene regering mag gedoogen, dat worde uitgesteld hetgeen ten algemeenen nutte kan worden gedaan. Zoodra het plan tot rijpheid is gekomen en de middelen ter uitvoering voorhanden zijn, mag de uitvoering vooral niet door bijzondere inzigten of belangen worden vertraagd.”
alsook:
“Het belang der onteigenende partij en dat van het publiek brengt mede, dat men met de onteigening spoed make (...).” (beide citaten ontleend aan bijlagen Handelingen II 1850/51, blz. 290)
“Ik moet hierbij doen opmerken dat de bepaling van de eerste alinea van art. 20, ten gevolge waarvan de regtbank een persoon zal kunnen benoemen in het belang van den afwezigen, voor dezen eene groote gunst is. De wet behoeft zoo ver niet te gaan, de wet behoeft niet voor hem te zorgen. Hij weet dat de onteigening zijn eigendom kan treffen. Waarom heeft hij er zelf niet voor gezorgd, waarom heeft hij niet zelf een gemachtigde of bewindvoerder benoemd? Heeft hij dit nagelaten dan is het een voorregt, dat hem door de wet is toegekend, indien de regtbank wordt geautoriseerd voor hem iemand te benoemen, die zijne belangen zal waarnemen.” (bijlagen Handelingen II, 1850/51, blz. 1204)
partijgedagvaard en verschenen en heeft al verweer gevoerd. Wat voegt het toe om hem daarnaast nog als “derde” in het geding te betrekken? Voorts lijkt mij dat de benoeming van een derde op de voet van art. 20 Ow Pro ziet op de benoeming van een ander dan de in het Koninklijk Besluit aangewezen verweerder of diens erfgenamen, dus een echte derde, die als belangenbehartiger van de buiten het Koninkrijk of op een onbekende woonplaats wonende verweerder, of van de erfgenaam of erfgenamen van de overleden verweerder, in het geding behoort op te treden, en die daartoe ook de nodige bekwaamheden moet bezitten en bereid moet zijn tot het vervullen van zijn taak als derde. [eiser] is, zoals nr. 1.4 van het onderdeel aanstipt, kennelijk niet op die hoedanigheden door de Gemeente geselecteerd, maar zou in de gedaante van een “derde” zijn eigen belang als erfgenaam en eigenaar van het perceel moeten behartigen. Daarop kan, denk ik, de wetgever van art. 20 Ow Pro niet het oog hebben gehad, en de benoeming van [eiser] als “derde” wringt ook daarom.
onderdelen 1.1 en 1.2van het middel gegrond acht voor zover die klagen dat de rechtbank heeft miskend dat het gebrek van de verkeerde inleiding van de procedure zich niet leent voor herstel door een benoeming alsnog van een derde als in art. 20 Ow Pro bedoeld.
blijkens de wettekstzelf de kwaliteiten dient te bezitten om als derde te kunnen optreden onjuist lijkt. De door mr. Sluysmans in zijn schriftelijke toelichting behandelde vraag of tegen die beschikking cassatieberoep heeft opengestaan behoeft geen beantwoording.
onderdeel 1.6, dat klaagt dat de rechtbank ook de vordering, voor zover ingesteld tegen de reeds in 1998 overleden [betrokkene 1], niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Terecht heeft de rechtbank in haar tussenvonnis (rov. 5.3) geoordeeld dat de Gemeente in de vordering tegen de overleden [betrokkene 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, alleen heeft zij nagelaten die niet-ontvankelijkverklaring in het dictum van dat vonnis dan wel in het dictum van het in cassatie bestreden vonnis, op te nemen.
4.Bespreking van het tweede onderdeel
bij toetsing van na het onteigeningsbesluit opgekomen nieuwe feiten of omstandigheden slechts dan de vordering tot onteigening (kan) afwijzen indien die feiten of omstandigheden van zodanige aard zijn dat het instellen en het volharden bij de vordering tot onteigening in strijd komt met algemene beginselen van behoorlijk bestuur en derhalve misbruik van recht oplevert”. Naar de letter genomen is dit niet dezelfde maatstaf dan hiervoor onder 4.2 weergegeven, waarbij overigens onduidelijk is of de door de rechtbank gekozen formulering neerkomt op een engere en beperktere maatstaf, zoals [eiser] stelt [23] . Gelet op hetgeen de rechtbank vervolgens heeft overwogen meen ik echter dat niet kan worden gezegd dat zij de juiste, hiervoor onder 4.2 bedoelde maatstaf heeft miskend. Het volgende is daarbij van belang.
dat de economische crisis zich in de afgelopen twee jaren verder heeft verdiept en dat de uitgifte van bedrijventerreinen in de provincie Drenthe vrijwel tot stilstand is gekomen”, alsmede dat “
de gemeente het beleid met betrekking tot de realisatie van het bedrijventerrein ‘De Riegmeer’ begin 2012 heeft gewijzigd.” De genoemde beleidswijziging houdt blijkens de gedingstukken in dat de gemeenteraad op 12 april 2012 ermee heeft ingestemd dat uitgegaan wordt van een gemiddelde jaarlijkse uitgifte van 3-5 hectare bedrijventerrein per jaar en dat de aanleg van de eerste fase van Riegmeer wordt gestart “
bij de eerste bedrijfsvestiging die redelijkerwijs niet meer inpasbaar is op de bestaande terreinen.” [24] Daartegenover heeft de Gemeente onder meer gesteld dat zij geen grotere kavels meer kan aanbieden, dat de maximale kavelgrootte die nog beschikbaar is ligt rond de 2 ha, dat grotere ruimtevragers geen plek meer kunnen vinden op de huidige terreinen, en dat Riegmeer geschikt is voor grotere ruimtevragers en zwaardere bedrijvigheid. De Gemeente heeft verder gesteld dat de noodzaak en urgentie van de onteigening erin zijn gelegen dat zij eigenaar van het bedrijfsterrein moet zijn om een vestigingskandidaat te kunnen bedienen als deze zich bij haar meldt en dat haar opnieuw vragen over de mogelijke beschikbaarheid van een bedrijfskavel van 8 tot 10 ha hebben bereikt [25] . De rechtbank heeft dit betoog kennelijk gevolgd door op grond van het - op zichzelf niet door [eiser] betwiste - gesprek met een potentiële vestigingskandidaat over een kavel van 12 ha te concluderen dat “
ondanks een zich verdiepende crisis met alle gevolgen van dien, zich toch mogelijkheden voordoen die maken dat voldoende bedrijfsterrein, van voldoende omvang, beschikbaar dient te zijn.” Het oordeel van de rechtbank komt naar de kern genomen erop neer dat dat de onteigening nog steeds geschiedt ten behoeve van de aanleg van het ter plaatse te realiseren bedrijventerrein, ofwel: dat de Gemeente haar bevoegdheid om te onteigenen voor geen ander doel gebruikt dan het doel waarvoor zij die bevoegdheid heeft gekregen. [26] In dit licht wijst de verwerping van het beroep op gewijzigde of nieuwe omstandigheden naar mijn mening niet op een onjuiste rechtsopvatting van de rechtbank. Voorts lijkt mij het oordeel van de rechtbank, ook in het licht van de in onderdeel 2.2 opgesomde stellingen van [eiser], niet onbegrijpelijk. Het tweede middelonderdeel acht ik dan ook ongegrond.