Het Gerechtshof Amsterdam legde aan betrokkene een betalingsverplichting van €190.300 op ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene stelde cassatie in tegen het oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn geen rechtsgevolg had. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte geen matiging toepaste ondanks de overschrijding van de redelijke termijn, wat in strijd is met vaste jurisprudentie.
Het hof had de betalingsverplichting niet verminderd omdat betrokkene over een groot deel van het voordeel had kunnen beschikken en mogelijk vervolgprofijt had genoten. De Hoge Raad vond deze motivering onbegrijpelijk omdat het beschikken over het voordeel inherent is aan ontnemingszaken en geen compensatie vormt voor termijnoverschrijding.
Daarnaast werd geoordeeld dat het hof terecht aannam dat het voordeel aan vijf personen toerekenbaar was, ondanks betwisting door de verdediging dat het om zeven personen ging. De Hoge Raad bevestigde dat de mate van toerekening niet strikt op wettige bewijsmiddelen hoeft te berusten, maar voldoende is dat dit uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt.
De Hoge Raad vernietigde het arrest en stelde het te betalen bedrag met €5.000,- verminderd vast, conform de maatstaven voor overschrijding van de redelijke termijn. Hiermee werd recht gedaan aan het belang van betrokkene om niet langer dan redelijk onder dreiging van vervolging te leven.