Conclusie
middelbehelst de klacht dat het Hof ten onrechte heeft bewezen verklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen.
Kamerstukken II1999/2000, 27 159, nr. 3, p. 14-15):
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor witwassen wegens het voorhanden hebben van geldbedragen afkomstig uit eigen misdrijf. Het hof oordeelde dat het gebundeld bewaren van €18.140,- in een kluis in de woning, samen met een vuurwapen en munitie, een gedraging opleverde die gericht was op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst.
De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie dat het enkele voorhanden hebben van voorwerpen uit eigen misdrijf onvoldoende is voor een veroordeling voor witwassen, tenzij vaststaat dat dit daadwerkelijk heeft bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst. Het hof heeft echter niet voldoende gemotiveerd dat verdachte met zijn gedragingen een bijdrage heeft geleverd aan het verhullen of verbergen van het geld.
De Hoge Raad stelt dat het bewaren van geld in een kluis en het bundelen met een elastiekje niet zonder meer duidt op een verhullende gedraging. Het oordeel van het hof is daarom onbegrijpelijk en berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling wegens onvoldoende motivering van het verhullen van de criminele herkomst.