Conclusie
“poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, 2.
“medeplegen van witwassen”,3., 4., en 5. telkens
“diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd”, 6.
“eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”,7.
“mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”en 8.
“bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van de in het bestreden arrest vermelde in beslag genomen voorwerpen. Ten slotte heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander als omschreven in het bestreden arrest.
eerste middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat aan het geconstateerde vormverzuim geen rechtsgevolg zal worden verbonden.
dat er op onrechtmatige wijze inbreuk is gemaakt op verdachtes huisrecht en diens privacy, welke inbreuk in strijd is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit”, en niet is aangevoerd wat de ernst van het verzuim was en welk nadeel er voor de verdachte is veroorzaakt (bijvoorbeeld in hoeverre hij door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad). [1] In dat opzicht voldoet het beroep op bewijsuitsluiting niet aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld, zodat het hof het verweer slechts had kunnen verwerpen.
tweede middelklaagt dat het onder 2 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, althans dat deze bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed dan wel niet begrijpelijk is.
de verdachte.
2.400 Euro
het enkele feit dat het geldbedrag was verstopt in het kussen van het bankstel, onvoldoende is om te kunnen vaststellen dat het niet anders kan zijn dan dat het aangetroffen geld van enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte hiervan wetenschap had” en voorts dat “
aangezien het hof de verklaring van verdachte aangaande de herkomst van het geld niet als hoogst onwaarschijnlijk heeft gekwalificeerd, doch als niet aannemelijk, het hof de verwerping van deze verklaring deugdelijk had moeten motiveren”.
“ten aanzien van het geldbedrag een voor wat betreft de herkomst niet te verifiëren en mede gelet op de overige omstandigheden dan ook onaannemelijke verklaring heeft afgelegd”. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken herkomst van het geld heeft genoemd, zodat geen noodzaak aanwezig was voor het instellen van nader onderzoek. [5] Dit oordeel is, mede in aanmerking genomen dat het hof met
“de overige omstandigheden”kennelijk (onder meer) heeft gedoeld op de blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgestelde ‘uniforme’ wijze waarop zowel het geld als de sieraden in het bankstel waren verstopt, niet onbegrijpelijk en, anders dan de steller van het middel meent, toereikend gemotiveerd.
dat de verdachte wist, in ieder geval in de zin van voorwaardelijk opzet, dat de aangetroffen goederen die en het aangetroffen geld dat hij en zijn mededader voorhanden hadden van misdrijf afkomstig waren”, evenmin onbegrijpelijk.
dat het niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging genoemde sieraden van misdrijf afkomstig zijn”, belang heeft gehecht aan i) de plaats waar de sieraden zijn aangetroffen en ii) de omstandigheid dat een aantal sieraden namen bevatten van personen die niet te relateren zijn aan de (mede)verdachte, terwijl deze omstandigheden niet van toepassing zijn op alle sieraden. Een gedeelte van de in de tenlastelegging vermelde sieraden zijn namelijk niet verhuld in een sieradenkistje en gelegen op een nachtkastje aangetroffen, welke sieraden geen namen bevatten van personen die niet te relateren zijn aan de (mede)verdachte. ’s Hofs oordeel is wat deze sieraden betreft dan ook onbegrijpelijk, aldus de stellers van het middel.
nietin een sieradenkistje/sieradendoosje bevonden. Uit de bewijsvoering kan al helemaal niet worden afgeleid dat een aantal van de in de
bewezenverklaringvan feit 2 vermelde sieraden zijn aangetroffen naast een sieradenkistje. Het middel mist in zoverre dan ook feitelijke grondslag.
onder gedachtestreepje 19 en 21 in de tenlastelegging genoemde sieraden (een oorbelset donkere parel en zilverkleurige oorbellen met witte parel) afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, het hof had moeten vaststellen dat door de verdachte gedragingen zijn verricht die ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die sieraden”. Nu die sieraden zijn aangetroffen in een sieradenkistje in de slaapkamer, is ’s hofs oordeel ontoereikend gemotiveerd, aldus de steller van het middel.
Ambtshalvemerk ik nog het volgende op. De verdachte, die zich tijdens de aanzegging in cassatie niet in voorlopige hechtenis bevond, heeft op 27 maart 2012 beroep in cassatie doen instellen. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.