Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
[naam 153],
1.De procedures
2.De beoordeling
Kan een rechtspersoon in de zin van artikel 3:305a lid 1 BW de vorderingen van degenen wier gelijksoortige belangen zij behartigt stuiten ex art. 3:317 lid 1 BW Pro?”.
Kan een rechtspersoon in de zin van art. 3:305a lid 1 BW, uit hoofde van zijn aan dit artikel ontleende bevoegdheid, op de voet van art. 3:317 lid 1 BW Pro de verjaring stuiten van rechtsvorderingen tot nakoming van verbintenissen tot schadevergoeding te voldoen in geld, welke schadevergoedingsvorderingen toebehoren aan personen, wier gelijksoortige belangen hij ingevolge zijn statuten behartigt?”.
Schematisch overzicht van het standpunt”)):
nietbuitengerechtelijk kan ontbinden of vernietigen (voetnoot: Volgens de wetgever is deze bevoegdheid in een collectieve actie uitdrukkelijk aan de rechter voorbehouden in een constitutief vonnis). Echter, dit doet geenszins af aan het feit dat een 305a-organisatie buitengerechtelijk de vorderingen van degenen wier gelijksoortige belangen zij behartigt, kan stuiten. Immers, anders dan bij buitengerechtelijke vernietiging of ontbinding wordt de rechtspositie van degenen wier belangen worden behartigd niet aangetast.
zie hiervoor onder 2.5.3; rechtbank] het beoogde rechtsgevolg, namelijk het stuiten van de verjaring van de daarin omschreven vorderingen en het doen starten van een nieuwe verjaringstermijn, hebben gehad op de voet van art. 3:305a jo 3:317 lid 1. De Individuele Gedaagden [
de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren en de Overige Gedaagden; rechtbank] menen dat de Brieven niet dat rechtsgevolg hebben gehad en hebben drie redenen voor dat standpunt. Deze redenen worden hieronder conform het verzoek van de rechtbank in het Tussenvonnis sterk verkort en schematisch weergegeven.
eerste redenis het tekstuele verschil tussen art. 3:316 lid 1 en Pro art. 3:317 lid 1 BW Pro. In eerstgenoemde bepaling is sprake van een daad van rechtsvervolging
van de zijde van de gerechtigde. Algemeen wordt aangenomen dat een belangenorganisatie in de zin van art. 3:305a BW een daad van rechtsvervolging als bedoeld in art. 3:316 BW Pro
van de zijde van de gerechtigdekan doen (voetnoot: HR 19 december 1997, NJ 1998, 403; Kamerstuk 2 1992/1993, 22 486, nr. 5, p. 3-4). Echter in art. 3:317 lid 1 BW Pro is slechts sprake van stuiting in geval een schriftelijke mededeling wordt gedaan
waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Deze wetsbepaling bevat dus niet de woorden
van de zijde van de gerechtigde(voetnoot: In deze zin ook AG Wesseling in haar conclusie voor HR 3 december 2010, NJ 2010, 652, § 2.15).
tweede redenis dat, als al mag worden aangenomen dat art. 3:317 lid 1 BW Pro ondanks de andere bewoordingen daarvan ook van toepassing is op aanmaningen dan wel mededelingen “van de zijde van” de gerechtigde en dus niet alleen op die van de schuldeiser zelf, die aanname dan berust op het verband tussen enerzijds het sturen van een dergelijke aanmaning of mededeling en anderzijds de mogelijkheid voor de belangenorganisatie om vervolgens de desbetreffende rechtsvordering ten behoeve van de gerechtigde(n) in te stellen. Echter, in het geval van een nakomingsvordering met betrekking tot een verbintenis tot betaling van schadevergoeding te voldoen in geld (welke vorderingen de VEB blijkens de brieven onmiskenbaar heeft beoogd te stuiten) is dat ingevolge het bepaalde in art. 3:305a lid 3 BW niet mogelijk.
derde redenis van wetsystematische aard. Met de invoering in 2005 van de Wet collectieve afwikkeling massaschade is een nieuwe stuitingsgrond in de wet opgenomen. Art. 7:907 lid 5 BW Pro bepaalt dat het indienen van het verzoek tot verbindendverklaring van een collectieve schikkingsovereenkomst als bedoeld in art. 7:907 lid 1 BW Pro de verjaring stuit van een rechtsvordering tot schadevergoeding tegen personen die partij zijn bij die overeenkomst, voor zover de overeenkomst in de vergoeding van deze schade voorziet. Deze vrij uitvoerig uitgewerkte regeling zou overbodig zijn indien een belangenorganisatie stuiting op de voet van art. 3:317 lid 1 BW Pro kan bewerkstelligen, omdat een belangenorganisatie die partij kan zijn bij een collectieve schikkingsovereenkomst blijkens de daaraan door art. 7:907 lid 1 BW Pro gestelde vereisten, tevens kwalificeert als belangenorganisatie in de zin van art. 3:305a BW.
3.De beslissing
Kan een rechtspersoon in de zin van artikel 3:305a lid 1 BW, uit hoofde van zijn aan dit artikel ontleende bevoegdheid, op de voet van artikel 3:317 lid 1 BW Pro de verjaring stuiten van rechtsvorderingen van personen wier gelijksoortige belangen hij ingevolge zijn statuten behartigt, strekkend tot nakoming van verbintenissen tot schadevergoeding te voldoen in geld?;