Conclusie
conclusiestrekt tot toewijzing van de incidentele vordering tot voeging.
Parket bij de Hoge Raad
In deze procedure heeft de Europese Octrooiorganisatie (EOO) beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het hof Den Haag dat onder meer de toegang van vakbonden tot het e-mailsysteem van EOO en collectieve onderhandelingen betrof. De Staat der Nederlanden vorderde zich te mogen voegen in de cassatieprocedure om het standpunt van EOO te ondersteunen, vanwege haar belang bij de waarborging van de immuniteit van EOO als internationale organisatie.
De Staat baseerde haar vordering op het beginsel dat internationale organisaties immuniteit van jurisdictie en executie genieten, zoals vastgelegd in verdragen en het zetelverdrag met EOO. Tevens wees de Staat op haar wettelijke verplichting om de naleving van deze volkenrechtelijke verplichtingen te waarborgen, onder meer via de Gerechtsdeurwaarderswet.
De Hoge Raad oordeelde dat de Staat voldoende belang heeft bij voeging, omdat het geschil direct raakt aan de immuniteit van EOO en daarmee aan de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat. De vordering tot voeging is tijdig ingediend en voldoet aan de voorwaarden van art. 217 en Pro 218 Rv. De Staat kan zich voegen zonder nieuwe middelen aan te voeren, maar ter ondersteuning van EOO’s standpunt.
De conclusie van de Procureur-Generaal bevestigt dat nadelige gevolgen voor de Staat door een ongunstige uitkomst voor EOO voldoende belang vormen voor voeging. De Hoge Raad wijst de vordering tot voeging toe, waarmee de Staat als partij in de cassatieprocedure wordt toegelaten.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de vordering van de Staat tot voeging in cassatie toe vanwege haar belang bij de bescherming van de immuniteit van de Europese Octrooiorganisatie.