ECLI:NL:PHR:2015:1716

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juni 2015
Publicatiedatum
11 september 2015
Zaaknummer
15/02265
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 3 Wet BopzArt. 2 lid 4 Wet BopzArt. 5 lid 1 Wet BopzArt. 419 lid 2 RvArt. 6 lid 4 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking voorlopige machtiging vrijwillig psychiatrisch verblijf wegens ontbrekende juiste geneeskundige verklaring

De zaak betreft een verzoek van de officier van justitie tot voorlopige machtiging voor opname en verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. Betrokkene verbleef naar het oordeel van de rechtbank al vrijwillig in het ziekenhuis. De rechtbank verleende de machtiging ondanks dat de geneeskundige verklaring niet was ondertekend door de geneesheer-directeur, maar door een niet-betrokken psychiater.

De Hoge Raad oordeelt dat bij een verzoek om voorlopige machtiging tijdens vrijwillig verblijf een verklaring van de geneesheer-directeur vereist is. Het ontbreken hiervan is een formeel gebrek dat niet onherstelbaar is, aangezien de rechtbank de officier van justitie had kunnen verzoeken de juiste verklaring alsnog te overleggen.

Verder oordeelt de Hoge Raad dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de bereidheid van betrokkene tot verblijf niet consistent was, gelet op meerdere vrijwillige opnamen in korte tijd, terugval in zelfverwaarlozing en het onttrekken aan behandeling. De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor nieuwe beoordeling.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens het ontbreken van een door de geneesheer-directeur ondertekende geneeskundige verklaring en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.

Conclusie

15/02265
Mr. F.F. Langemeijer
19 juni 2015
Conclusie inzake:
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie Noord-Holland
Deze Bopz-zaak betreft de geneeskundige verklaring die nodig is voor een voorlopige machtiging en het ontbreken van de nodige bereidheid tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 2, lid 3 onder a, Wet Bopz).

1.De feiten en het procesverloop

1.1.
Op 4 februari 2015 heeft de officier van justitie aan de rechtbank Noord-Holland verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven. Bij het verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd, op 30 januari 2015 opgemaakt door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [psychiater 1], die betrokkene met het oog op een zodanige machtiging heeft onderzocht.
1.2.
De rechtbank heeft op 19 februari 2015 betrokkene en zijn raadsvrouw, de behandelend arts, een arts in opleiding en een ambulant verpleegkundige van het FACT-team gehoord. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend voor de duur van drie maanden. De rechtbank heeft, voor zover in cassatie van belang, overwogen (rov. 2.6):
“Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende vast komen te staan dat de stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken voor zichzelf en voor anderen, waarbij met name het gevaar dat betrokkene maatschappelijk te gronde gaat aanwezig is. Gebleken is voorts dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Hoewel de advocaat pleit voor een vrijwillig verblijf van betrokkene, is de rechtbank van oordeel dat de bereidheid van betrokkene niet consistent is gelet op het feit dat dit de derde (wellicht vierde) vrijwillige opname is in korte tijd, betrokkene bij herhaling is teruggevallen in zelfverwaarlozing en hij zich voorafgaand aan de huidige opname onttrokken heeft aan de behandeling door de hulpverleners van het ambulante team en de beoordelend psychiater buiten de deur te houden.”
1.3.
Namens betrokkene is – tijdig [1] – beroep in cassatie ingesteld [2] . In cassatie is geen verweer gevoerd.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.
Onderdeel IIheeft betrekking op de vraag of de wettelijk vereiste geneeskundige verklaring bij het inleidend verzoekschrift was gevoegd en wordt daarom als eerste besproken. De klacht houdt in dat de rechtbank, in strijd met art. 2 lid 4 in Pro verbinding met art. 5 lid 1 Wet Pro Bopz, geen acht heeft geslagen op het feit dat de geneeskundige verklaring niet is ondertekend door de geneesheer-directeur, noch heeft gemotiveerd waarom zij aan dit vereiste voorbij is gegaan.
2.2.
Bij een verzoek gericht op het verkrijgen van een voorlopige machtiging moet een verklaring worden overgelegd van een psychiater die de betrokkene met het oog daarop kort te voren heeft onderzocht, maar niet bij diens behandeling betrokken was. In het geval, bedoeld in art. 2, vierde lid, (d.w.z. in het geval dat de betrokken persoon al vrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft; het verzoek strekt dan ertoe het verblijf onvrijwillig te laten voortduren), moet een verklaring worden overgelegd van de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis waarin de betrokkene verblijft [3] . De ratio van dit voorschrift is, kort gezegd, dat de geneesheer-directeur verantwoordelijkheid draagt voor de gang van zaken in het ziekenhuis en een eenduidige beoordeling per ziekenhuis wenselijk is [4] . Uit de verklaring dient te blijken dat de persoon op wie de verklaring betrekking heeft, gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in art. 2 Wet Pro Bopz zich voordoet. De geneesheer-directeur laat de betrokkene daartoe onderzoeken door een psychiater die niet bij de behandeling betrokken was. Indien de geneesheer-directeur bevoegd psychiater is en niet bij de behandeling betrokken, kan hij ook zelf het psychiatrisch onderzoek verrichten.
2.3.
Het tijdstip waarop de officier van justitie zijn verzoek bij de rechtbank indient is bepalend voor het antwoord op de vraag welke verklaring is vereist [5] .
2.4.
Het middelonderdeel neemt tot uitgangspunt dat betrokkene vanaf 1 februari 2015 vrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis was opgenomen. De rechtbank heeft dit niet met zoveel woorden vastgesteld, zodat de vraag rijst of art. 419 lid 2 Rv Pro aan deze klacht in de weg staat. Op diverse plaatsen in de beschikking is de rechtbank impliciet ervan uitgegaan dat betrokkene al (vrijwillig) in een psychiatrisch ziekenhuis verbleef toen de officier van justitie zijn verzoek bij de rechtbank indiende. Op blz. 1 vermeldt de rechtbank dat betrokkene “thans” in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft en dat betrokkene ter zitting naar voren heeft gebracht dat hij sinds 1 februari 2015 vrijwillig in de kliniek verblijft. De rechtbank heeft het verzoek van de officier van justitie opgevat als strekkend tot het verlenen van een voorlopige machtiging om betrokkene “verder te doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis”. Dienovereenkomstig gaf de rechtbank in het dictum niet een machtiging tot het “doen opnemen en doen verblijven”, maar een machtiging tot het “doen verblijven” in een psychiatrisch ziekenhuis. Om deze reden kan in cassatie, ten minste bij wijze van hypothese, ervan worden uitgegaan dat betrokkene op 4 februari 2015 (de datum van indiening van het verzoek) vrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis verbleef. De omstandigheid dat de geneeskundige verklaring is opgemaakt vóórdat betrokkene in het ziekenhuis werd opgenomen verklaart de gang van zaken, maar doet niet eraan af dat toen betrokkene vrijwillig was opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis een verklaring van de geneesheer-directeur moest worden overgelegd bij het verzoek. Dat is een gevolg van de statuswijziging van betrokkene. Het gebrek was niet onherstelbaar: alvorens op het verzoek te beslissen, had de rechtbank de officier van justitie in de gelegenheid kunnen stellen de juiste geneeskundige verklaring alsnog over te leggen. De slotsom is dat de klacht van middelonderdeel II slaagt.
2.5.
Middelonderdeel Ibehoeft geen bespreking indien onderdeel II slaagt. Ik beperk me daarom tot enkele kanttekeningen. Het eerste middelonderdeel klaagt over onbegrijpelijkheid van het oordeel dat de bereidheid van de betrokkene om vrijwillig in het ziekenhuis te verblijven “niet consistent” is. Deze klacht faalt.
2.6.
Voor opneming en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis is een machtiging nodig indien de betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid om zich in het ziekenhuis te laten opnemen (en twaalf jaar of ouder is): zie art. 2, lid 3 onder a, Wet Bopz. Het woord “nodige” in de woordcombinatie “nodige bereidheid” biedt de kliniek en de rechter enige beoordelingsruimte: deze kan tot het oordeel komen dat de benodigde bereidheid (
informed consent) ontbreekt indien de geuite bereidheid tot opneming en verblijf niet consistent is of weinig reëel moet worden geacht [6] . Bij de waardering van de consistentie van een bereidverklaring kunnen de met betrokkene in het verleden opgedane ervaringen een rol spelen. Zo kan een voorgeschiedenis van weglopen uit het ziekenhuis in strijd met medisch advies duiden op afwezigheid van de ‘nodige’ bereidheid [7] . Hetzelfde geldt, ingeval de bereidheid wisselvallig is als gevolg van de stoornis of van ontbrekend ziekte-inzicht [8] .
2.7.
In het onderhavige geval heeft de rechtbank, in reactie op de ter zitting uitgesproken bereidverklaring tot verblijf, geoordeeld dat de bereidheid van betrokkene niet consistent is om de volgende redenen: dat dit de derde, wellicht vierde, opname is in korte tijd; dat betrokkene bij herhaling is teruggevallen in zelfverwaarlozing; dat betrokkene voorafgaand aan de huidige opname zich heeft onttrokken aan behandeling door hulpverleners van het ambulante team en dat betrokkene ook de beoordelend psychiater buiten de deur heeft gehouden.
2.8.
In het cassatierekest heeft betrokkene beklemtoond dat hij ten tijde van de bestreden beslissing al 19 dagen vrijwillig in het ziekenhuis verbleef. Uit de omstandigheid dat hij in korte tijd meermalen (vrijwillig) opgenomen is geweest, kan volgens het middelonderdeel niet worden afgeleid dat zijn bereidheid tot verblijf niet consistent is: van inconsistentie zou slechts sprake kunnen zijn indien hij de vorige keren de kliniek zou hebben verlaten tegen de wil van de behandelaar(s). In reactie op hetgeen de rechtbank verder overwoog – zie alinea 1.2 hiervoor −, is volgens het middelonderdeel niet van belang dat betrokkene bij herhaling is teruggevallen in zelfverwaarlozing, noch dat hij, voorafgaand aan de huidige opname, zich heeft onttrokken aan de behandeling door de hulpverleners van het ambulante team en de beoordelend psychiater buiten de deur heeft gehouden: ter toelichting heeft betrokkene betoogd dat wanneer hij problemen heeft met het (ambulante) team in Amstelveen en voorkeur heeft voor het team in Hoofddorp, niet in te zien valt hoe deze feiten de consistentie van zijn bereidheid tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis kunnen beïnvloeden.
2.9.
De rechtbank heeft met deze overweging kennelijk het oog op de mededeling van de ambulant verpleegkundige ter zitting; zie rov. 2.5. Daarvan uitgaande, heeft de rechtbank bedoeld dat, na jarenlange ambulante behandeling, de bereidheid van betrokkene om op de afgesproken tijdstippen voor behandeling naar de kliniek te komen is gestopt. Kennelijk hebben de behandelaars en betrokkene getracht door middel van vrijwillige opnamen in het ziekenhuis de behandeling weer op gang te brengen; het zou gaan om de derde (wellicht zelfs: de vierde) opname in korte tijd [9] . De rechtbank sluit niet uit dat betrokkene de vorige keren met verlof van de geneesheer-directeur het ziekenhuis heeft verlaten; zij constateert slechts dat getracht is de behandeling te hervatten, dat betrokkene zich aan de behandeling (door een zgn. FACT-team) onttrekt en de onderzoekende psychiater buiten de deur houdt. Hieruit heeft zij kunnen afleiden dat de door betrokkene uitgesproken bereidheid niet consistent is. Dat oordeel is feitelijk van aard. Voor de lezer is niet onbegrijpelijk waarom de rechtbank een onvrijwillige voortzetting van het verblijf in het ziekenhuis noodzakelijk heeft geacht [10] .

3.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Noord-Holland.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. – g

Voetnoten

1.Een fax-kopie van het cassatieverzoekschrift is ingekomen op 19 mei 2015, een dag later gevolgd door het door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekende origineel.
2.De omstandigheid dat de geldigheidsduur van de machtiging inmiddels is verstreken doet aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep niet af; vgl. HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2292, NJ 2011/390 m.nt. S.F.M. Wortmann, JVggz 2011/28 m.nt. W. Dijkers; HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5151, NJ 2011/596 m.nt. S.F.M. Wortmann.
3.Zie ook art. 6 lid 4 Wet Pro Bopz.
4.HR 1 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3536, BJ 2007/34; MvA, Kamerstukken II 1979–1980, 11 270, nr. 12, blz. 43; W.J.A.M. Dijkers, Doen en laten in de Bopz-machtigingsprocedure, diss. 2003, blz. 242 – 244.
5.HR 26 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2681,NJ 1998/673; HR 30 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1984, NJ 1996/233 m.nt. J. de Boer; Tekst & Commentaar Gezondheidsrecht, Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, aant. 8 bij art. 5 (P. Vlaardingerbroek).
6.Nader hierover: SDU commentaar Wet Bopz, par. C.1.2 en par. C.5 (W. Dijkers).
7.HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3406, BJ 2001/3 (art. 101a RO); Rb. Amsterdam 1 oktober 1998,
8.HR 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7590, BJ 2008/59 (art. 81 RO Pro); HR 2 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0386, BJ 2001/19.
9.Het aantal opnemingen heeft de rechtbank kunnen afleiden uit het overzicht in de brief van psychiater [psychiater 2] van FACT Amstelveen aan de geneesheer-directeur van 28 november 2014, dat als bijlage bij de gedingstukken was gevoegd.
10.Zie nog: HR 8 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB5549, NJ 2008/385.