Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het "redelijkerwijs moeten vermoeden" in de zin van art. 417bis Sr, althans dat de bewezenverklaring ten aanzien van dit bestanddeel niet (voldoende) begrijpelijk door het Hof is gemotiveerd. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgens de steller van het middel niet worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
als verklaring van [betrokkene 2]:
het relaas en/of de bevindingen van een in Duitsland gedane aangifte door [betrokkene 4]:
als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisanten of één van hen:
als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisanten of één van hen:
als verklaring van verdachte:
verdachteverklaart -zakelijk weergegeven- als volgt.
13.Het eerste middelfaalt.
tweede middelbehelst de klacht dat het Hof de opgelegde gevangenisstraf onvoldoende heeft gemotiveerd. Het Hof zou niet hebben voldaan aan de eisen die art. 359 lid 6 Sv Pro stelt aan de motivering van een opgelegde vrijheidsstraf.