Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
7 april 2015.
Hoge Raad
De betrokkene was in hoger beroep in een zaak over ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel verschenen. Hij verzocht het hof om aanhouding van de zitting op 25 februari 2013 wegens een geplande meniscusoperatie. Het hof wees dit verzoek af omdat het naar oordeel van het hof onvoldoende was onderbouwd en de afweging tussen aanwezigheid en operatie niet was geconcretiseerd. De betrokkene verscheen niet, waarna verstek werd verleend.
De Hoge Raad stelt dat bij ziekte die verhindering tot verschijnen op de terechtzitting veroorzaakt, de rechter in beginsel aanhoudingsverzoeken moet honoreren om het aanwezigheidsrecht van de betrokkene te waarborgen. Dit recht kan echter worden beperkt indien het belang van een behoorlijke en tijdige strafvordering dit vereist. De rechter moet het verzoek zorgvuldig beoordelen en mag het afwijzen indien het onvoldoende is onderbouwd.
In deze zaak oordeelt de Hoge Raad dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het verzoek tot aanhouding werd afgewezen, gelet op het faxbericht en de medische bevestiging van de operatie. Daarom is het arrest van het hof niet begrijpelijk en wordt het vernietigd. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep, waarbij het aanhoudingsverzoek opnieuw kan worden beoordeeld.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.