Conclusie
[verdachte]
Voorbedachte raad
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, waarin verdachte was veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf wegens poging tot moord met voorbedachte raad. Het hof had vastgesteld dat verdachte op 9 februari 2012 in Almere met een vuurwapen had geschoten op drie personen, nadat hij hen had bedreigd.
De Hoge Raad stelt hoge eisen aan de motivering van het bewijs van voorbedachte raad. Volgens vaste jurisprudentie moet blijken dat verdachte tijd en gelegenheid had om zich te beraden op zijn besluit om te doden, en dat hij niet handelde uit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Het hof had geoordeeld dat de bedreiging vlak voor het schieten en het tijdsverloop voldoende waren om voorbedachte raad aan te nemen.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat verdachte daadwerkelijk gelegenheid had om na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn daad. De bedreiging vlak voor het schieten volgde vrijwel direct op het schot, wat een contra-indicatie is voor voorbedachte raad. De eerdere uitlatingen van verdachte waren niet rechtstreeks verbonden met het voornemen tot levensberoving.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van het bewijs en de motivering omtrent voorbedachte raad. Dit arrest benadrukt het belang van een zorgvuldige en gedetailleerde motivering bij het aannemen van voorbedachte raad in strafzaken.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens ontoereikende motivering van voorbedachte raad en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.