ECLI:NL:PHR:2015:2000

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 september 2015
Publicatiedatum
29 september 2015
Zaaknummer
15/01431
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest wegens ontoereikende motivering voorbedachte raad bij poging tot moord

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, waarin verdachte was veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf wegens poging tot moord met voorbedachte raad. Het hof had vastgesteld dat verdachte op 9 februari 2012 in Almere met een vuurwapen had geschoten op drie personen, nadat hij hen had bedreigd.

De Hoge Raad stelt hoge eisen aan de motivering van het bewijs van voorbedachte raad. Volgens vaste jurisprudentie moet blijken dat verdachte tijd en gelegenheid had om zich te beraden op zijn besluit om te doden, en dat hij niet handelde uit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Het hof had geoordeeld dat de bedreiging vlak voor het schieten en het tijdsverloop voldoende waren om voorbedachte raad aan te nemen.

De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat verdachte daadwerkelijk gelegenheid had om na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn daad. De bedreiging vlak voor het schieten volgde vrijwel direct op het schot, wat een contra-indicatie is voor voorbedachte raad. De eerdere uitlatingen van verdachte waren niet rechtstreeks verbonden met het voornemen tot levensberoving.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van het bewijs en de motivering omtrent voorbedachte raad. Dit arrest benadrukt het belang van een zorgvuldige en gedetailleerde motivering bij het aannemen van voorbedachte raad in strafzaken.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens ontoereikende motivering van voorbedachte raad en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. 15/01431
Mr. Machielse
Zitting 8 september 2015
Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, heeft verdachte op 10 september 2014 voor: poging tot moord, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar.
2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt dat het bewijs voor de voorbedachte raad tekortschiet. Het schot is gevallen korte tijd na de bedreiging door verdachte, zodat de bewijsvoering de mogelijkheid van een plotselinge hevige drift openlaat, temeer nu verdachte bij eerdere ontmoetingen die dag geen gebruik heeft gemaakt van een vuurwapen.
3.2. In de pleitnota van hoger beroep heeft verdachtes advocaat betoogd dat van voorbedachte raad geen sprake was. Verdachte heeft de anderen niet met de dood bedreigd. Wel was sprake van een ruzie die kennelijk de aanleiding vormde voor het schot. Niet uit te sluiten is dat verdachte ook bij een der eerdere ontmoetingen het pistool al bij zich droeg. Aangenomen moet worden dat verdachte in doorlopende drift handelde.
3.3. Het hof heeft bewezenverklaard dat
"hij op 9 februari 2012 in de gemeente Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk eh met voorbedachten rade
- [betrokkene 1] of
- [betrokkene 2] of
- [betrokkene 3]
van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, heeft geschoten op of in de richting van voornoemde personen met een vuurwapen (waarbij [betrokkene 3] is geraakt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."
3.4. Inzake het bewijs van de voorbedachte raad heeft het hof overwogen:
"
Voorbedachte raad
Voor het bewijs van voorbedachte raad is vereist dat verdachte tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn genomen of te nemen besluit om te doden, zodat er gelegenheid was tot nadenken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Onder meer op 8 februari 2012 is verdachte, met zijn broer [getuige], medeverdachte, bij [betrokkene 1] aan de deur geweest, volgens zijn verklaring om het geld dat hij van [betrokkene 1] tegoed had, terug te vorderen. [betrokkene 1] was echter niet thuis. Op 9 februari 2012 is verdachte in de ochtend naar de woning van [betrokkene 1] gegaan en sprak daar met de jongere broer van [betrokkene 1], [betrokkene 5] Omdat [betrokkene 1] er zelf niet was, zou verdachte later die dag terugkomen. Omstreeks 19.30 uur is verdachte wederom met zijn broer naar de woning van [betrokkene 1] gegaan. Na de komst van [betrokkene 1], die vergezeld was van de andere twee aangevers, ontstond er daar een woordenwisseling tussen [betrokkene 1] en verdachte. [betrokkene 1] wilde verdachte zijn woning uit hebben. De ruzie was kennelijk zo heftig dat één van de daar aanwezigen de politie rond 20:15 uur heeft gebeld. Voor dat de politie om 20:18 uur arriveerde, waren verdachte en zijn broer met de auto weggereden. Toen verdachte wegging uitte hij de bedreiging: “Ze gaan zien, wacht maar.”
Rond 21.00 uur is verdachte samen met medeverdachte voor een derde keer die dag naar het adres van [betrokkene 1] gegaan. Verdachte en medeverdachte stonden [betrokkene 1] en zijn vrienden [betrokkene 3] en [betrokkene 2] op te wachten voor de woning van [betrokkene 1]. [betrokkene 1] vroeg aan hen wat zij kwamen doen. Daarop zei verdachte in het Surinaams: “Kleine snotneus, nigger, ik ga je doodschieten, wacht maar.” Hij pakte een pistool en laadde het wapen door. [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 1] doken of renden weg na het zien van het wapen en verdachte schoot daarop in de richting van [betrokkene 1], [betrokkene 3] en [betrokkene 2].
Uit deze feiten en omstandigheden, in het bijzonder de bedreiging die verdachte kort voor het schieten uitte en het ontbreken van contra-indicaties voor de voorbedachte raad, leidt het hof af dat verdachte de tijd maar ook daadwerkelijk gelegenheid heeft gehad om te kunnen nadenken over de betekenis en de gevolgen van zijn genomen besluit en aldus gehandeld heeft met voorbedachte raad."
3.5. De Hoge Raad stelt de laatste jaren bepaaldelijk eisen aan de motivering van de voorbedachte raad. Ik citeer uit een recent arrest:
"2.3. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.
De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad (vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156)." [1]
3.6. Het hof heeft, blijkens de overwegingen in het arrest, aangenomen dat verdachte daadwerkelijk gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen besluit, en heeft daarbij in het bijzonder gewezen op de bedreiging die verdachte kort voor het schieten heeft geuit. Als het hof met deze bedreiging doelt op de woorden van verdachte "Ze gaan zien, wacht maar" die hij uitte voordat de politie om 20:18 arriveerde, moet worden opgemerkt dat deze uiting nog niet duidt op het voornemen om anderen van het leven te beroven. Het is zeker een dreigende uitlating, maar zonder nadere context niet specifiek een doodsbedreiging. Niet blijkt dat verdachte hier al had besloten om de ander(en) van het leven te beroven, noch dat hij deze mogelijkheid al in overweging had genomen. [2] Wat verdachte heeft gezegd kort voordat hij het pistool pakte, het doorlaadde en schoot, is zeker wel als een doodsbedreiging te beschouwen, maar hier volgt het een vrijwel direct op het ander. En dat is nu juist een bijzondere contra-indicatie tegen voorbedachte raad. [3]
Kortom, het dreigement dat verdachte voor het schieten uitte wijst wel op opzet op levensberoving maar is gezien de tijd die daarna verliep voordat verdachte schoot geen argument voor het aannemen van voorbedachte raad.
Het middel slaagt.
4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Voetnoten

1.HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:535.
2.HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2669; HR 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2962
3.HR 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:91; HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:122.